ECLI:NL:CRVB:2016:4759
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op bijstand met terugwerkende kracht na eerdere Bbz-aanvraag
Appellant exploiteerde twee ondernemingen en diende op 2 mei 2014 een aanvraag in op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) voor algemene kosten en bedrijfskapitaal. Deze aanvraag werd op 4 juli 2014 afgewezen wegens onleefbaarheid van de eenmanszaak.
Op 20 augustus 2014 vroeg appellant bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) met terugwerkende kracht vanaf 2 mei 2014. Het college verleende bijstand vanaf 20 augustus 2014 en wees terugwerkende kracht af omdat bijstand pas kan worden verleend vanaf het moment van melding of aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij dacht dat zijn eerdere Bbz-aanvraag ook algemene bijstand op grond van de WWB omvatte. De Raad oordeelde dat elke uitkering een aparte aanvraag vereist en dat uit het aanvraagformulier bleek dat alleen Bbz-bijstand was aangevraagd. De veronderstelling van appellant was onjuist en voor zijn eigen risico.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat bijstand niet met terugwerkende kracht wordt verleend na eerdere Bbz-aanvraag en wijst het verzoek om schadevergoeding af.