Appellant, werkzaam als wegendistrictsmedewerker in salarisschaal 7, verzocht om herwaardering van zijn functie naar salarisschaal 8, stellende dat zijn werkzaamheden overeenkomen met die van collega’s in een hogere schaal. De minister wees dit verzoek af omdat er geen substantiële taakwijzigingen waren en de rol van gladheidcoördinator incidenteel en niet substantieel was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat hij niet aannemelijk had gemaakt dat zijn werkzaamheden substantieel afweken van de functiebeschrijving en het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagde. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak.
De Raad overwoog dat appellant onvoldoende had onderbouwd dat zijn werkzaamheden op het niveau van salarisschaal 8 lagen en dat de minister terecht geen herwaarderingsonderzoek hoefde te laten uitvoeren. Ook faalde het beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat de genoemde vergelijkbare functies in andere regio’s wezenlijk verschillen qua omvang en complexiteit.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit terecht was genomen en wees het hoger beroep af zonder proceskostenveroordeling.