ECLI:NL:CRVB:2016:4798
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in hoger beroep ANW-uitkering
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag van een nabestaandenuitkering (ANW) en verzocht om een voorlopige voorziening. De rechtbank had het beroep niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen omdat de beslistermijn door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) was verlengd en verzoekster de Svb niet tijdig in gebreke had gesteld.
In hoger beroep betoogde verzoekster dat de beslistermijn van acht weken was verstreken en dat de Svb onterecht de termijn had opgeschort, en stelde zij dat zij de Svb op tijd in gebreke had gesteld. De voorzieningenrechter oordeelt dat de aanvraag door verzoekster, woonachtig in Marokko, via de CNSS moest worden ingediend en dat de Svb de beslistermijn terecht had opgeschort tot ontvangst van de aanvraag via de CNSS op 28 augustus 2015.
Verder blijkt dat de ingebrekestelling van verzoekster op 27 augustus 2015 te vroeg was en dat na het verstrijken van de beslistermijn tot het instellen van het beroep op 29 juli 2016 geen ingebrekestelling is gegeven. Hierdoor is geen dwangsom verschuldigd. Het verzoek om voorschotten wordt afgewezen omdat geen zicht is op toekenning van de ANW-uitkering.
De voorzieningenrechter concludeert dat het niet aannemelijk is dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep zal worden vernietigd en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat geen spoedeisend belang en geen redelijke kans op vernietiging van de aangevallen uitspraak bestaat.