ECLI:NL:CRVB:2016:4807
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens niet gemeld onroerend goed in Turkije
Appellant ontving vanaf 30 augustus 2010 bijstand op grond van de WWB. Naar aanleiding van een melding bij de Sociale Verzekeringsbank dat appellant onroerend goed in Turkije bezit, heeft de gemeente Enschede onderzoek gedaan. Uit het onderzoek bleek dat appellant een winkel en bouwgrond in Turkije op zijn naam had staan, met een getaxeerde waarde van circa €136.000.
Het college trok de bijstand met ingang van 30 augustus 2010 in vanwege het niet melden van dit vermogen. Appellant stelde dat de winkel eigendom was van zijn neven en dat de grond een onverdeelde erfenis betrof waarover hij niet kon beschikken. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet over deze onroerende zaken kon beschikken.
Verder was de taxatie waarop het college zich baseerde summier en onduidelijk, maar appellant slaagde er niet in een lagere waarde aannemelijk te maken. Na overdracht van de onroerende zaken bleef onduidelijk wat de opbrengst was en hoe die was besteed, waardoor het recht op bijstand ook voor die periode niet kon worden vastgesteld.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank dat de intrekking van de bijstand terecht was. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd wegens niet gemeld onroerend goed en onvoldoende aannemelijkheid van het recht op bijstand.