ECLI:NL:CRVB:2016:4824

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 december 2016
Publicatiedatum
15 december 2016
Zaaknummer
16/497 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J. Kraan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Regeling overgang naar een LFNP functie, Stcrt. 2013, nr. 13141Art. 3 lid 4 Regeling LFNPArt. 5 lid 2 en 3 Regeling LFNP
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit korpschef over functiewaardering en toepassing hardheidsclausule LFNP

Appellant, werkzaam als bureauchef GC/EOT met een uitgangspositie in schaal 11, werd door de korpschef ingeschaald in de LFNP-functie Teamchef B, schaal 10. Appellant maakte bezwaar tegen deze functiewaardering, dat door de korpschef ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond.

In hoger beroep stelt appellant dat de matching niet correct is uitgevoerd en dat hij door de uitkomst van de functiewaardering ernstig benadeeld wordt, mede gezien zijn positie in de reorganisatie. De Centrale Raad van Beroep verwijst naar eerdere uitspraken waarin is bepaald dat de Regeling LFNP als grondslag voor besluitvorming geldt en dat de korpschef mag volstaan met een verwijzing naar de transponeringstabel. De appellant moet aannemelijk maken dat de matching niet overeenkomstig de Regeling is geschied of tot een onhoudbaar resultaat leidt.

De Raad oordeelt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de matching onjuist is of tot een onhoudbaar resultaat heeft geleid. Ook is geen sprake van een onbillijkheid van overwegende aard of een bijzondere situatie die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt. De positie van appellant in de reorganisatie kan bij deze beoordeling geen rol spelen. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitspraak

16/497 AW
Datum uitspraak: 8 december 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
10 december 2015, 14/2581 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de korpschef van politie (korpschef)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P. de Haas hoger beroep ingesteld.
De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben toestemming gegeven het onderzoek ter zitting achterwege te laten waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Voor het kader en de van toepassing zijnde regelgeving betreffende dit hoger beroep verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663).
1.2.
De uitgangspositie van appellant voor de omzetting naar het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) is vastgesteld op de functie van bureauchef GC/EOT, met als referentiefunctiebeschrijving Teamchef C (recherche), schaal 11. Verder heeft de korpschef besloten de uitgangspositie niet aan te vullen met specifieke werkzaamheden (taakaccenten). Tegen deze besluiten heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.
1.3.
Op 16 december 2013 heeft de korpschef ten aanzien van appellant besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie van Teamchef B, vakgebied Leiding, gewaardeerd in salarisschaal 10. Bij besluit van 12 juli 2014 (bestreden besluit) heeft de korpschef het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. De Raad komt naar aanleiding van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd tot de volgende beoordeling.
3.1.
Vooropgesteld wordt dat de Raad in zijn onder 1.1 genoemde uitspraken van 1 juni 2015 heeft geoordeeld dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat er aan de inhoud of wijze van totstandkoming van de Regeling overgang naar een LFNP functie,
Stcrt. 2013, nr. 13141 (Regeling) zodanig ernstige feilen kleven dat dit voorschrift niet als grondslag kan dienen voor daarop in concrete gevallen te baseren besluiten. Hierbij is verder overwogen dat de transponeringstabel, hoewel deze het karakter van een algemeen verbindend voorschrift ontbeert, als grondslag mag dienen voor besluitvorming als hier aan de orde, waarbij de korpschef in beginsel mag volstaan met een verwijzing daarnaar. Het is aan de betrokken politieambtenaar om aannemelijk te maken dat de matching niet overeenkomstig de Regeling is geschied of dat het resultaat van de matching anderszins onhoudbaar is te achten. Het enkele feit dat een andere uitkomst ook verdedigbaar zou zijn geweest, is niet voldoende.
3.2.
Appellant heeft betoogd dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij geen functieonderhoud heeft aangevraagd. Hij heeft binnen de grenzen van de redelijke en gebruikelijke verstandhoudingen en wederzijdse vertrouwensrelaties zijn uiterste best gedaan om functieonderhoud te doen plaatsvinden. Dit betoog slaagt niet. Zoals is overwogen in de onder 1.1 genoemde uitspraken van de Raad van 1 juni 2015 is uitgangspunt bij de matching ingevolge artikel 3, vierde lid, van de Regeling, in verbinding met artikel 5, tweede en derde lid, van de Regeling, de inhoud van de schriftelijke, formele korpsfunctiebeschrijving zoals vastgelegd in de uitgangspositie. Zoals de Raad eveneens in meergenoemde uitspraken heeft overwogen is de in de Regeling opgenomen hardheidsclausule niet bedoeld om (alsnog) rekening te houden met werkzaamheden waarvoor functieonderhoud gevraagd had kunnen worden of met extra werkzaamheden, specifieke werkzaamheden, bijzondere situaties en afspraken die in de uitgangspositie vastgelegd hadden kunnen zijn. De hardheidsclausule is niet bedoeld om de uitgangspositie te corrigeren. In wat appellant heeft aangevoerd ziet de Raad gaan aanknopingspunten thans hierover anders te oordelen.
3.3.
Appellant heeft nog gewezen op de gevolgen die de uitkomst van de matching heeft voor zijn positie in de reorganisatie. Hij is van mening dat hij zodanig ernstig benadeeld wordt, dat de matching op grond hiervan geen stand kan houden. Dit betoog slaagt evenmin. Zoals de Raad al een- en andermaal heeft overwogen - zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4161) - staat de positie van appellant in de reorganisatie los van de thans bestreden besluitvorming. Deze positie kan daarom bij de beoordeling of toepassing moet worden gegeven aan de hardheidsclausule geen rol spelen. In wat appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunten thans hierover anders te oordelen.
3.4.
De conclusie is dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de matching in zijn geval niet overeenkomstig de Regeling is geschied of anderszins tot een onhoudbaar resultaat heeft geleid. De korpschef heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door appellant naar voren gebrachte omstandigheden niet leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard en dat evenmin sprake is van een bijzondere situatie die noopt tot toepassing van de hardheidsclausule.
3.5.
Uit 3.1 tot en met 3.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2016.
(getekend) K.J. Kraan
(getekend) L.V. van Donk

HD