Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant is sinds 1978 werkzaam bij de provincie en sinds 1985 als chauffeur personenvervoer, later herbenoemd tot Technisch uitvoerend ondersteuner B. Door medische redenen is appellant vanaf juni 2013 werkzaam bij de receptie binnen dezelfde functie. Het college heeft per 1 november 2014 de premie schadevrij rijden en de garantie dagvergoeding ingetrokken en de vaste overwerkvergoeding GS-chauffeurs opgesplitst en deels afgebouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en appellant ging in hoger beroep. De Raad oordeelde dat het besluit tot afbouw terecht is genomen, omdat appellant niet langer de functie van chauffeur vervult en de vergoeding niet persoonsgebonden is. De grondslag voor de vergoeding ligt in artikel 12 van Pro de Regeling toelagen, die alleen geldt voor functies met besturing van provinciale voertuigen.
De Raad verwierp het beroep op de toepasselijkheid van het Besluit personenchauffeurs en bepaalde dat de afbouw volgens de Collectieve arbeidsvoorwaarden provincies en de Uitvoeringsregeling bezoldiging Zuid-Holland correct is toegepast. Ook het beroep op intrekking van de Regeling bij besluit van 2004 faalde. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd met verbeterde gronden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afbouw van de vaste overwerkvergoeding GS-chauffeurs bevestigd.