ECLI:NL:CRVB:2016:4848
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging maatregel verlaging bijstand wegens niet behouden van werk en inkomensbeoordeling
Appellant ontving tot september 2014 bijstand en werkte daarna tijdelijk via een uitzendbureau. Na ontslag wegens regelmatig te laat komen en niet tijdig ziekmelden, vroeg appellant opnieuw bijstand aan. Het college legde een maatregel op van 100% verlaging bijstand gedurende een maand, verlaagd tot 10% vanwege persoonlijke omstandigheden.
Appellant voerde aan dat hij niet verwijtbaar had gehandeld vanwege de zwaarte van zijn werk en wisselende diensten, maar de Raad oordeelde dat het te laat komen en niet ziekmelden verwijtbaar is en dat de matiging van de maatregel voldoende rekening houdt met zijn omstandigheden.
Daarnaast weigerde het college bijstand over februari 2015 omdat een bedrag van €1.400,- als inkomen werd gezien, terwijl appellant stelde dat dit een lening van zijn vader betrof. De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat het bedrag een lening voor levensonderhoud was, waardoor het bedrag als inkomen werd aangemerkt.
Het hoger beroep slaagt niet, de eerdere uitspraak wordt bevestigd en het verzoek tot vergoeding van schade wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De maatregel verlaging bijstand met 10% gedurende een maand wordt bevestigd en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.