ECLI:NL:CRVB:2016:4854

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 december 2016
Publicatiedatum
19 december 2016
Zaaknummer
16/1248 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 PWArt. 18 PWArt. 10 Verordening Participatiewet Utrecht 2015
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging bijstand wegens te laat verschijnen op verplichte groepsbijeenkomsten

Appellant ontvangt sinds 1 april 2013 bijstand op grond van de Participatiewet en is verplicht deel te nemen aan werk- of scholingsbijeenkomsten. Het college legde hem op om vanaf 16 februari 2015 tweewekelijkse groepsbijeenkomsten bij te wonen. Appellant verscheen op 16 maart, 30 maart en 13 april 2015 te laat.

Het college verlaagde daarom bij besluit van 20 april 2015 de bijstand met 100% voor één maand, een maatregel die gehandhaafd bleef na bezwaar. De rechtbank vernietigde het besluit wegens een onjuist toetsingskader, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Appellant stelde in hoger beroep dat het besluit van 2 februari 2015, waarin de verplichting werd opgelegd, niet kenbaar was als besluit waartegen bezwaar kon worden gemaakt.

De Raad oordeelt dat het ontbreken van een rechtsmiddelenverwijzing het besluitkarakter niet aantast en dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt, waardoor het besluit onaantastbaar is geworden. De Raad bevestigt dat appellant verplicht was deel te nemen en dat het college terecht de bijstand heeft verlaagd wegens verwijtbaar te laat komen. Medische beperkingen zijn onvoldoende onderbouwd om het verwijt weg te nemen.

Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 100% voor één maand wegens te laat verschijnen op groepsbijeenkomsten wordt bevestigd.

Uitspraak

16/1248 PW
Datum uitspraak: 13 december 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
15 januari 2016, 15/3970 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B.J.M. de Leest, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2016. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van den Bergh.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontvangt sinds 1 april 2013 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande. Op appellant zijn de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de PW van toepassing.
1.2.
Met het oog op zijn arbeidsinschakeling heeft het college aan appellant de verplichting opgelegd tot deelname aan werk- of scholingsbijeenkomsten. Bij besluit van 2 februari 2015 is aan appellant de verplichting opgelegd om van 9:00 tot 12:00 uur deel te nemen aan de tweewekelijkse werk- of scholingsbijeenkomsten van Bouw, Logistiek en Techniek (groepsbijeenkomsten), met als startdatum 16 februari 2015. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend.
1.3.
Appellant is op 16 maart 2015, 30 maart 2015 en 13 april 2015 te laat verschenen op de groepsbijeenkomsten.
1.4.
Bij besluit van 20 april 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 juli 2015 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant bij wijze van maatregel met ingang van 1 mei 2015 voor de duur van één maand verlaagd met 100%. Aan de besluitvorming ligt onder meer ten grondslag dat appellant niet actief heeft deelgenomen aan de groepsbijeenkomsten. Deze gedragingen zijn appellant volledig verwijtbaar. Appellant heeft niet met (medische) stukken onderbouwd dat deelname aan de groepsbijeenkomsten niet van hem kon worden verlangd. Het college heeft toepassing gegeven aan artikel 18, tweede lid, van de PW en de Verordening maatregelen, handhaving en verrekenen bestuurlijke boete inkomensvoorzieningen Utrecht 2013.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit wegens een onjuist gehanteerd toetsingskader vernietigd. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit heeft de rechtbank in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant, door herhaaldelijk te laat te komen bij de groepsbijeenkomsten, onvoldoende gebruik heeft gemaakt van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in artikel 9 van Pro de PW. Nu gesproken moet worden van een verwijtbare gedraging, was het college op grond van artikel 18, vierde en vijfde lid van de PW en artikel 10 van Pro de Verordening afstemming, bestuurlijke boeten en handhaving Participatiewet, IOAW en IOAZ Utrecht 2015, gehouden de bijstand van appellant te verlagen met 100% gedurende één maand. Volgens de rechtbank kan de stelling van appellant dat de groepsbijeenkomsten voor hem niet passend zijn, in de huidige procedure niet meer worden beoordeeld. Daartoe had appellant bezwaar kunnen indienen tegen het besluit van 2 februari 2015.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte zijn beroepsgrond niet heeft beoordeeld omdat het besluit van 2 februari 2015, vanwege het ontbreken van een rechtsmiddelenverwijzing, niet als zodanig kenbaar was en appellant daartegen geen bezwaar heeft kunnen maken. Dit betekent volgens appellant dat, nu niet vaststaat dat de aangeboden voorziening voor hem een geschikte voorziening was, er geen grondslag is voor het opleggen van een maatregel.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Met het onder 1.2 vermelde besluit van 2 februari 2015 zijn de arbeidsverplichtingen, in het bijzonder de verplichting tot gebruikmaking van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, voor appellant geconcretiseerd. Weliswaar vermeldt dit besluit niet dat daartegen bezwaar kan worden gemaakt, maar naar vaste rechtspraak tast het ontbreken van een rechtsmiddelenverwijzing het besluitkarakter niet aan (uitspraak van 28 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3472). Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar heeft gemaakt, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden.
4.2.
Aangezien het besluit van 2 februari 2015 hier niet ter beoordeling voorligt, kan de beroepsgrond van appellant dat de met het besluit van 2 februari 2015 aan hem opgelegde voorziening voor hem geen geschikte voorziening was, onbesproken blijven.
4.3.
Uit 4.1 volgt dat appellant verplicht was deel te nemen aan de groepsbijeenkomsten gedurende de aangegeven tijd. Niet in geschil is dat appellant herhaaldelijk te laat is gekomen bij de groepsbijeenkomsten. Evenmin is in geschil dat deze gedraging een overtreding vormt van de verplichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de PW. Het college was dan ook gehouden de bijstand van appellant te verlagen, tenzij geoordeeld moet worden dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbrak.
4.4.
De bewijslast van feiten en omstandigheden die het oordeel kunnen dragen dat betrokkene geen enkel verwijt treft, rust op de betrokkene en niet op het bestuursorgaan. Dit vloeit voort uit het uitzonderingskarakter van artikel 18, negende lid, van de PW.
4.5.
Voor zover appellant heeft beoogd aan te voeren dat zijn medische beperkingen in de weg staan aan deelname aan de groepsbijeenkomsten en hem van de gedragingen dan ook geen enkel verwijt treft, slaagt dit betoog niet. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hem van de verweten gedraging, te weten het geen gebruik maken van de aangeboden voorziening door herhaaldelijk te laat komen bij de groepsbijeenkomsten, geen enkel verwijt treft. Uit de in beroep in het geding gebrachte informatie van de bedrijfsarts van 20 augustus 2015 blijkt niet dat appellant als gevolg van zijn beenklachten niet in staat was tijdig bij de groepsbijeenkomsten te verschijnen. Ook overigens heeft appellant niet onderbouwd waarom hij daartoe niet in staat was.
4.6.
Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2016.
(getekend) Y.J. Klik
(getekend) C. Moustaïne

HD