ECLI:NL:CRVB:2016:487
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen werkzaamheden in garagebedrijf
Appellant ontving bijstand en verrichtte zonder toestemming werkzaamheden in een garagebedrijf op een bedrijventerrein, terwijl hij dit niet had gemeld aan het college. Het college stelde een onderzoek in en legde een maatregel op door de bijstand met 100% te verlagen gedurende een maand en trok de bijstand over een eerdere periode in, met terugvordering van €4.459,21.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de verlaging ongegrond en oordeelde dat het beroep tegen de intrekking niet ontvankelijk was. De Centrale Raad van Beroep vernietigde dit laatste oordeel en oordeelde dat het beroep ook tegen de intrekking ontvankelijk was.
De Raad concludeerde dat appellant zijn inlichtingenverplichting had geschonden door het niet melden van zijn werkzaamheden, die als op geld waardeerbaar werden aangemerkt. De opgelegde maatregel was proportioneel en in overeenstemming met de verordening. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de eerdere uitspraak bevestigd en het college veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de intrekking en terugvordering van bijstand wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.