Uitspraak
26 mei 2015, 14/7989 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving sinds 2003 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een anonieme melding over mogelijke onrechtmatigheden in de woonsituatie en financiële handelwijze van appellant, startte de gemeente Amsterdam een onderzoek. Appellant werd opgeroepen om relevante bankafschriften te overleggen, maar verscheen zonder deze documenten en beëindigde het gesprek voortijdig met uitlatingen over zijn mentale toestand.
Het college schortte vervolgens de bijstand op en trok deze in op grond van het niet meewerken aan het onderzoek. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze besluiten ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat appellant wel degelijk in staat was het gesprek te voeren en dat het college zorgvuldig had gehandeld.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het college het zorgvuldigheidsbeginsel had geschonden door hem niet opnieuw uit te nodigen na zijn uitlatingen over zijn mentale gesteldheid. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen nieuwe gronden had aangevoerd die het oordeel van de rechtbank konden weerleggen en bevestigde daarom de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens niet meewerken aan het verstrekken van relevante gegevens wordt bevestigd.