ECLI:NL:CRVB:2016:489
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.M.G. Hink
- W.F. Claessens
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet-woonachtig zijn binnen gemeente
Appellant ontving sinds 1997 bijstand en stond ingeschreven op een adres in [woonplaats 2]. Na een anonieme melding startte de sociale recherche een onderzoek naar zijn feitelijke woonplaats. Uit waterverbruikgegevens, verklaringen van appellant, zijn partner en buurtbewoners bleek dat appellant vanaf augustus 2011 niet meer woonachtig was op het uitkeringsadres in [woonplaats 2], maar in [woonplaats 1].
Het college trok de bijstand met ingang van 1 januari 2010 in en vorderde de kosten terug, omdat appellant zijn woonplaats niet had gemeld en ten onrechte bijstand ontving. De rechtbank vernietigde het besluit voor de periode tot 1 augustus 2011, maar handhaafde het voor de periode daarna. Appellant ging in hoger beroep tegen het deel vanaf augustus 2011.
De Raad oordeelde dat het lage waterverbruik op het uitkeringsadres en de verklaringen voldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat appellant niet meer woonde in de gemeente. De verklaring van appellant tegenover de sociale recherche werd geacht betrouwbaar te zijn, ondanks zijn psychische klachten. De Raad verklaarde het beroep tegen het nader besluit ongegrond en bevestigde de eerdere uitspraak.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand vanaf 1 augustus 2011 worden bevestigd en het beroep tegen het nader besluit wordt ongegrond verklaard.