ECLI:NL:CRVB:2016:4980
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens geschiktheid voor maatgevende arbeid
Appellante heeft zich in 2001 ziek gemeld vanwege psychische klachten en ontving tussen 2002 en 2005 een WAO-uitkering. Na uitval in 2009 en 2012 met lichamelijke en psychische klachten, vroeg zij in 2013 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde in 2014 vast dat zij geschikt was voor haar maatgevende arbeid en wees de uitkering af.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) de beperkingen juist weergaf. Ook de arbeidsdeskundige concludeerde dat appellante de werkzaamheden als productiemedewerker/inpakker kon verrichten.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen, vooral op sociaal en persoonlijk vlak, onvoldoende waren meegewogen en dat de geselecteerde functies niet passend waren. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, de FML adequaat rekening hield met haar klachten en dat er geen sprake was van verlies van verdiencapaciteit.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.