ECLI:NL:CRVB:2016:5099

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 december 2016
Publicatiedatum
4 januari 2017
Zaaknummer
14/6236 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering bijstand na herziening en bezwaarprocedure

Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder vanaf januari 2008. In mei 2013 werd de bijstand herzien vanwege niet opgegeven inkomsten uit kansspelen en giften, wat leidde tot een terugvordering van €4.068,47. Het college verklaarde het bezwaar tegen deze terugvordering ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit deels niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond.

In hoger beroep voerde appellante aan dat de berekening van de terugvordering onjuist was, onder meer omdat zij het ontvangen bedrag van €3.000,- in augustus 2012 niet voor zichzelf zou hebben kunnen aanwenden. De Raad wees dit af wegens gebrek aan objectieve onderbouwing en bevestigde dat de bijstand over die maand volledig was ingetrokken.

De Raad oordeelde dat het primaire herzieningsbesluit onherroepelijk is en dat het hoger beroep moet worden opgevat als gericht tegen de hoogte van de terugvordering. De berekening van het college werd niet onjuist bevonden. Het verzoek tot uitstel van de zitting werd afgewezen wegens te late indiening en volledige dossierstukken.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van te veel ontvangen bijstand en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

14/6236 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
3 oktober 2014, 14/1506 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. C.C.A. Stallen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2016. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. Rijkers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving sinds 2 januari 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Bij besluit van 29 mei 2013 is de bijstand van appellante over de periode van 29 september 2010 tot 13 maart 2013 herzien met dien verstande dat alsnog rekening is gehouden met ontvangen inkomsten uit kansspelen en giften. Bij besluit van 18 november 2013 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van
29 mei 2013 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding. Bij uitspraak van de rechtbank van 8 april 2014 is het beroep tegen het besluit van
18 november 2013 ongegrond verklaard. Tegen die uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.
1.2.
Bij besluit van 7 juni 2013 heeft het college de, als gevolg van de herziening van de bijstand, teveel betaalde bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van
€ 4.068,47. Bij besluit van 19 maart 2014 is het bezwaar tegen het besluit van 7 juni 2013 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het bij het besluit van 7 juni 2013 gevoegde overzicht en de motivering van de terug te vorderen bedragen meebrengen dat ook aspecten van de herziening van de bijstand bij de herbeoordeling in bezwaar van het terugvorderingsbesluit dienen te worden meegenomen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van
19 maart 2014 niet-ontvankelijk verklaard voor zover dit ziet op de herziening en heeft zij het beroep voor het overige ongegrond verklaard, nu appellante tegen de terugvordering geen zelfstandige beroepsgronden heeft aangevoerd.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Mr. Stallen heeft achttien minuten voor de geplande aanvang van de zitting per faxbericht aan de Raad verzocht de behandeling van de zaak aan te houden wegens vermeende incompleetheid van het dossier. De Raad heeft het verzoek om uitstel van de behandeling ter zitting afgewezen. Allereerst is niet gebleken van gewichtige redenen die een dergelijk laat verzoek zouden kunnen rechtvaardigen. Voorts is de Raad niet gebleken dat in het dossier stukken ontbreken, die voor de beoordeling van het hoger beroep van wezenlijk belang kunnen zijn. Overigens heeft de gemachtigde van het college verzekerd dat aan
mr. Stallen, in het kader van de eerder voor appellante gevoerde procedures in bezwaar en beroep, alle relevante stukken - waaronder de door haar in het verdagingsverzoek kennelijk bedoelde stukken - zijn toegezonden.
4.2.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat het besluit tot herziening van de bijstand van 29 mei 2013 in rechte onaantastbaar is geworden.
4.3.
De Raad ziet onder de gegeven omstandigheden evenwel, anders dan de rechtbank, aanleiding het (hoger) beroep van appellante op te vatten als te zijn gericht tegen de vaststelling van de hoogte van de terugvordering. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat bij het primaire herzieningsbesluit geen overzicht van de betreffende posten was gevoegd en evenmin een motivering waarom de desbetreffende bedragen in mindering strekten op de bijstand. De Raad ziet geen grond om de door het college gemaakte berekening van het terugvorderingsbedrag voor onjuist te houden. Daarbij wordt in het bijzonder, gelet op wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, overwogen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij het door haar in augustus 2012 ontvangen bedrag van € 3.000,- niet voor
zichzelf heeft kunnen aanwenden. De enkele schriftelijke verklaring van haar schoonmoeder wordt niet ondersteund door objectieve en verifieerbare gegevens. Overigens is de bijstand over augustus 2012 in zijn geheel ingetrokken en is over die maand, anders dan appellante kennelijk meent, slechts de eerder verleende bijstand ter hoogte van de norm voor een alleenstaande ouder, en dus niet het totale bedrag van € 3.000,-, van haar teruggevorderd.
4.4.
Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal, met verbetering van gronden, worden bevestigd voor zover aangevochten.
4.5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en Y.J. Klik en R.P.Th. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2016.
(getekend) R.H.M. Roelofs
(getekend) M.S. Spek

HD