Appellante ontving sinds 1998 een WAO-uitkering wegens fysieke en later ook psychische klachten. In 2006 vond een herbeoordeling plaats waarbij verzekeringsartsen en psychiaters twijfels hadden over de authenticiteit van haar klachten, met vermoedens van simulatie. Diverse deskundigen stelden diagnoses uiteenlopend van psychotische stoornissen tot simulatiestoornis, waarbij klinische observatie werd aanbevolen.
Het Uwv trok de uitkering met terugwerkende kracht in per 7 april 2006 wegens het niet nakomen van de informatieplicht en vermeende simulatie. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep betwistte appellante de simulatie en leverde aanvullend medisch bewijs dat een chronisch psychotisch beeld zou onderbouwen.
De Raad oordeelde dat het Uwv onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat appellante bewust onjuiste informatie had verstrekt of haar klachten had gesimuleerd. De deskundigen concludeerden niet eenduidig tot simulatie en wezen op de noodzaak van klinische observatie. Daarom is het besluit tot intrekking met terugwerkende kracht niet gerechtvaardigd. De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, herroept het intrekkingsbesluit en veroordeelt het Uwv in de proceskosten.