Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:56

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 januari 2016
Publicatiedatum
12 januari 2016
Zaaknummer
14/805 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging buiten behandeling stelling bijstandsaanvraag wegens niet tijdig aanleveren gegevens

Appellant diende op 5 maart 2013 een aanvraag in voor bijstand met terugwerkende kracht tot 27 december 2012. Het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Veluwerand verzocht appellant meerdere malen om aanvullende gegevens, waaronder jaarcijfers en bankafschriften, die noodzakelijk waren voor de beoordeling van de aanvraag. Ondanks hersteltermijnen heeft appellant deze gegevens niet tijdig aangeleverd.

Daarop stelde het dagelijks bestuur de aanvraag op 27 maart 2013 buiten behandeling op grond van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit werd op 17 juni 2013 ongegrond verklaard. De rechtbank Gelderland bevestigde dit oordeel en oordeelde dat appellant redelijkerwijs over de gevraagde gegevens had moeten kunnen beschikken.

In hoger beroep voerde appellant aan dat hem geen verwijt treft voor het niet aanleveren van de gegevens, onder meer omdat hij zijn administratie niet meer kon inzien. De Raad verwierp dit verweer en bevestigde dat het niet aanleveren van de gevraagde stukken binnen de hersteltermijn terecht tot buiten behandeling stelling heeft geleid. Nadere overgelegde stukken in bezwaar en beroep konden het oordeel niet wijzigen.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarmee de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag blijft buiten behandeling wegens niet tijdig aanleveren van gevraagde gegevens.

Uitspraak

14/805 WWB
Datum uitspraak: 12 januari 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
9 januari 2014, 13/4576 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Veluwerand te Harderwijk (dagelijks bestuur)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gloudi. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door G.J. van Bussel.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Op 5 maart 2013 heeft appellant een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend, met het verzoek de bijstand in te laten gaan op 27 december 2012.
1.2.
Bij brief van 6 maart 2013 heeft het dagelijks bestuur appellant geïnformeerd dat hij niet alle gegevens heeft aangeleverd die nodig zijn voor de behandeling van zijn aanvraag. Het dagelijks bestuur heeft appellant in de gelegenheid gesteld de ontbrekende stukken over te leggen, waaronder - voor zover hier van belang - de jaarcijfers over het laatste jaar van zijn onderneming, afschriften van zijn rekening bij de Rabobank over de periode van 1 september 2012 tot en met de datum van de blokkering van deze rekening, alsmede bewijsstukken van die blokkering. Bij brief van 15 maart 2013 heeft het dagelijks bestuur appellant opnieuw over het voorgaande geïnformeerd en hem meegedeeld dat de aanvraag buiten behandeling wordt gelaten als appellant niet alle gevraagde gegevens uiterlijk binnen één week na dagtekening van de brief (hersteltermijn) heeft overgelegd. Appellant heeft voormelde gegevens niet binnen de hersteltermijn overgelegd.
1.3.
Bij besluit van 27 maart 2013 heeft het dagelijks bestuur de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. Aan dit besluit heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant de bij brieven van 6 en 15 maart 2013 gevraagde gegevens niet dan wel onvolledig heeft verstrekt.
1.4.
Bij besluit van 17 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 27 maart 2013 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat gesteld noch gebleken is dat appellant redelijkerwijs niet kon beschikken over de door het dagelijks bestuur gevraagde en door hem niet tijdig verstrekte gegevens. Dat appellant bepaalde gegevens niet meer over kan leggen omdat hij zijn administratie heeft vernietigd, moet voor zijn rekening en risico komen. Dit geldt eveneens voor de omstandigheid dat appellant in verband met een geschil met zijn boekhouder geen toegang had tot zijn, door de boekhouder beheerde, administratie, aldus de rechtbank.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:5, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
4.2.
Niet in geschil is dat de door het dagelijks bestuur gevraagde gegevens, met uitzondering van de jaarcijfers, van belang waren voor de beoordeling van het recht op bijstand. Evenmin is in geschil dat appellant in de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag aan te vullen en dat die aanvulling niet binnen de hem gegeven termijn, die eindigde op 22 maart 2013, heeft plaatsgevonden.
4.3.
Appellant heeft aangevoerd dat hem niet te verwijten valt dat hij niet binnen de hem gegeven hersteltermijn de gevraagde stukken heeft overgelegd. Wat hij in dit verband heeft betoogd komt neer op een herhaling van wat hij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak hierop gemotiveerd ingegaan. Appellant heeft geen redenen vermeld waarom deze gemotiveerde weerlegging van de in beroep aangevoerde gronden onjuist dan wel onvolledig zou zijn. Er is geen aanleiding om over die gronden anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De Raad voegt hieraan nog het volgende toe. Aan de omstandigheid dat appellant in bezwaar en in beroep nog nadere gegevens heeft overgelegd, zoals appellant heeft aangevoerd, komt volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 25 september 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB5267) geen betekenis toe. Dat appellant ook in die fase van het geding heeft nagelaten de gevraagde afschriften van de Rabobankrekening over te leggen, zoals het dagelijks bestuur naar voren heeft gebracht, blijft hier daarom verder buiten bespreking.
4.4.
Appellant heeft aangevoerd dat de door het dagelijks bestuur gevraagde jaarcijfers niet van belang waren voor de beoordeling van het recht op bijstand. Deze grond behoeft gelet op wat hiervoor is overwogen ten aanzien van de overige ontbrekende gegevens hier geen bespreking.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2016.
(getekend) F. Hoogendijk
(getekend) M.S. Spek

HD