ECLI:NL:CRVB:2016:563
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering AOW-uitkering wegens onvoldoende bewijs ingezetenschap en arbeid in Nederland
Appellant, geboren in 1939 en met de Marokkaanse nationaliteit, verzocht om een AOW-uitkering. Hij stelde dat hij tussen 1968 en 1973 in Nederland woonde en werkte bij een veevoederfabriek. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af wegens gebrek aan bewijs van ingezetenschap of arbeid in Nederland in die periode.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant zijn stellingen niet met objectief verifieerbare stukken ondersteunde. De Svb had navraag gedaan bij de gemeente en het pensioenfonds, die geen bewijs van verblijf of arbeid konden leveren. Ook de verklaring van een derde uit 1974 werd niet als voldoende bewijs erkend.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij in Nederland woonde of werkte in de genoemde periode. Het feit dat mogelijk premies niet waren afgedragen, was niet doorslaggevend. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en de weigering van de AOW-uitkering gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de AOW-uitkering wegens onvoldoende bewijs van ingezetenschap of arbeid in Nederland tussen 1968 en 1973.