ECLI:NL:CRVB:2016:582
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens niet-wonen op uitkeringsadres
Appellant ontving bijstand en huurde een kamer op een uitkeringsadres. Na een melding dat appellant niet meer op dat adres woonde, onderzocht de gemeente dit en concludeerde dat appellant niet op het uitkeringsadres verbleef. Het college trok de bijstand per 1 augustus 2013 in vanwege schending van de inlichtingenplicht en stelde een nieuwe aanvraag buiten behandeling omdat appellant geen bewijs van zijn verblijfadres kon overleggen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking gegrond maar handhaafde de rechtsgevolgen, en wees het beroep tegen het buiten behandeling stellen ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat de verhuurder onjuiste verklaringen had afgelegd, maar de Raad oordeelde dat de verklaring van de verhuurder, ondersteund door onderzoeksbevindingen en retour ontvangen post, voldoende bewijs vormde dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde.
Verder was appellant niet in staat om zijn werkelijke woonadres te specificeren, waardoor het college de aanvraag terecht buiten behandeling stelde. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom beide aangevallen uitspraken en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wordt bevestigd en de nieuwe aanvraag wordt buiten behandeling gesteld wegens onvoldoende gegevens over het woonadres.