ECLI:NL:CRVB:2016:614
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing woningaanpassing handgrepen traplift op grond van Wmo niet zorgvuldig onderzocht
Appellant had een aanvraag ingediend voor het plaatsen van zes handgrepen bij een traplift in zijn woning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college wees deze aanvraag af omdat de handgrepen als algemeen gebruikelijke voorziening werden beschouwd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat handgrepen normaal verkrijgbaar zijn en ook door niet-gehandicapten worden gebruikt.
In hoger beroep stelde appellant dat hij de handgrepen nodig had om de traplift op een verantwoorde wijze te kunnen gebruiken en dat deze handgrepen aan bijzondere voorwaarden moesten voldoen gezien zijn beperkingen. De Raad verwijst naar het wettelijke kader dat vereist dat eerst de beperkingen van de aanvrager in kaart worden gebracht en vervolgens wordt vastgesteld welke voorzieningen deze beperkingen kunnen compenseren.
De Raad constateerde dat het college geen medisch onderzoek had laten verrichten en geen stukken had overgelegd waaruit bleek dat een deskundige had beoordeeld of appellant zonder handgrepen de traplift verantwoord kon gebruiken. Hierdoor kon niet worden vastgesteld of de handgrepen noodzakelijk waren en aan welke eisen zij moesten voldoen.
De Raad oordeelde dat het besluit niet zorgvuldig was genomen en dat niet alle noodzakelijke vragen waren beantwoord. Daarom werd het college opgedragen binnen zes weken de gebreken in het besluit te herstellen, met inachtneming van de overwegingen van de Raad.
Uitkomst: Het college wordt opgedragen het besluit te herstellen vanwege het ontbreken van een deskundig onderzoek naar de noodzaak van handgrepen bij de traplift.