ECLI:NL:CRVB:2016:617
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang wegens ontbreken dakloosheid
Appellant, van Tibetaanse afkomst, vroeg maatschappelijke opvang aan bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het college wees de aanvraag af omdat appellant geen rechtmatig verblijf in Nederland had en geen dakloosheid of dreiging daarvan bestond.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat noch het EVRM, noch het internationaal recht een positieve verplichting oplegde aan het college om opvang te verlenen aan niet-rechtmatig verblijvende vreemdelingen. Later verleende de staatssecretaris aan appellant met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning.
De Raad oordeelde dat de periode van belang loopt van de aanvraag tot de beslissing op bezwaar. Omdat appellant in die periode rechtmatig verblijf had, stonden de artikelen 10 en 11 van de Vreemdelingenwet 2000 niet aan opvang in de weg. Echter, appellant verbleef op meerdere adressen binnen de Tibetaanse gemeenschap, zodat geen sprake was van dakloosheid.
Verder wees de Raad erop dat voor leefgeld een aanvraag op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) passend is, waarbij bijstand met terugwerkende kracht slechts onder bijzondere omstandigheden wordt toegekend. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de eerdere uitspraak bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag maatschappelijke opvang bevestigd.