ECLI:NL:CRVB:2016:629
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WGA-loonaanvullingsuitkering wegens afgenomen arbeidsongeschiktheid
Appellante was sinds 1996 werkzaam als schoonmaakster, maar kon dit werk vanaf 2009 niet meer verrichten vanwege gewrichts- en vermoeidheidsklachten. Het UWV kende haar vanaf 2011 een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 100%. In 2013 werd deze uitkering omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering, maar deze werd later dat jaar ingetrokken omdat haar arbeidsongeschiktheid was afgenomen tot onder de 35%.
Appellante maakte bezwaar tegen deze intrekking, maar dit werd door het UWV ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit besluit en oordeelde dat de medische en arbeidskundige beoordelingen zorgvuldig waren uitgevoerd en dat het opleidingsniveau en de taalvaardigheid van appellante geen belemmering vormden voor de geselecteerde functies.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen onvoldoende waren meegewogen en dat zij de geselecteerde functies niet kon vervullen vanwege een lager opleidingsniveau. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat deze bezwaren herhalingen waren van eerdere stellingen die reeds gemotiveerd waren afgewezen. De Raad onderschreef de eerdere beoordeling dat de functies eenvoudig van aard zijn en ook met beperkte taalvaardigheid vervuld kunnen worden.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking van de WGA-loonaanvullingsuitkering bevestigd.