ECLI:NL:CRVB:2016:689
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Onterechte buitenbehandelingstelling bijstandsaanvraag wegens ontbrekend bankafschrift
Appellant diende op 16 januari 2014 een aanvraag in voor bijstand als alleenstaande. Het college stelde tijdens het intakegesprek een lijst op met benodigde bewijsstukken, waaronder bankafschriften vanaf 1 september 2013. Ondanks herhaalde verzoeken leverde appellant niet alle gevraagde stukken tijdig aan, met name een bankafschrift met volgnummer 40 ontbrak.
Het college stelde de aanvraag op 2 mei 2014 buiten behandeling op grond van artikel 4:5 Awb Pro wegens onvolledigheid. Het bezwaar hiertegen werd door het college en vervolgens door de rechtbank ongegrond verklaard. De rechtbank vond het ontbreken van het bankafschrift voldoende reden voor buitenbehandelingstelling.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat het ontbreken van één bankafschrift niet automatisch tot buitenbehandelingstelling mag leiden. Gezien de omstandigheden, waaronder de grote financiële problemen van appellant en het feit dat het college geen concrete aanwijzingen had dat het ontbrekende afschrift substantiële mutaties bevatte, was het college niet bevoegd om de aanvraag buiten behandeling te stellen. Bovendien handelde het college niet zorgvuldig door niet actief op het verzoek van appellant in te gaan en niet specifiek om het ontbrekende afschrift te vragen.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college, herroept het besluit van 2 mei 2014 en bepaalt dat appellant alsnog bijstand wordt toegekend over de periode van 16 januari 2014 tot 4 juli 2014. Tevens wordt het college veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot buitenbehandelingstelling wordt vernietigd en appellant wordt alsnog bijstand toegekend.