Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:706

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 maart 2016
Publicatiedatum
2 maart 2016
Zaaknummer
14/5703 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:104 AwbArt. 8:119 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening WIA-uitspraak wegens ontbreken nieuwe feiten

Verzoeker heeft bij de Centrale Raad van Beroep een verzoek tot herziening ingediend van een uitspraak van 23 juli 2014, waarin de Raad zich onbevoegd had verklaard vanwege het wettelijk appèlverbod. Het verzoek tot herziening is gebaseerd op de stelling dat sprake zou zijn van rechtsdwaling, waarbij lichamelijke klachten de grondslag zouden vormen van psychische klachten.

De Raad overweegt dat op grond van artikel 8:119 Awb Pro een herziening slechts mogelijk is indien sprake is van feiten of omstandigheden die vóór de uitspraak hebben plaatsgevonden, niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn bij de indiener, en die bij eerdere bekendheid tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden.

Verzoeker heeft echter geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die aan deze criteria voldoen. Zijn betoog betreft in wezen een hernieuwde inhoudelijke discussie over de juistheid van de eerdere uitspraak, hetgeen niet is toegestaan binnen het bijzondere rechtsmiddel van herziening.

Daarom wijst de Centrale Raad van Beroep het verzoek tot herziening af. Tevens wordt geen veroordeling in proceskosten opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

14/5703
Datum uitspraak: 2 maart 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van
23 juli 2014, 14/2015 WIA (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft een verzoek om herziening ingediend van de door de Raad op 23 juli 2014 tussen partijen gewezen uitspraak.
Het Uwv heeft een reactie op het verzoek gegeven.
Het verzoek is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 20 januari 2016. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij uitspraak van 20 maart 2014 heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het niet (tijdig) nemen van een besluit door het Uwv niet-ontvankelijk verklaard omdat niet is voldaan aan artikel 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
1.2.
Bij de uitspraak van 23 juli 2014 - waarvan nu herziening wordt gevraagd - heeft de Raad zich onbevoegd verklaard, omdat de uitspraak van de rechtbank van 20 maart 2014 een uitspraak is als bedoeld in artikel 8:54, eerste lid, van de Awb waartegen op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb geen hoger beroep kan worden ingesteld en geen aanleiding bestaat voor doorbreking van het wettelijk appèlverbod. Het hogerberoepschrift is als verzetschrift doorgestuurd naar de rechtbank.
1.3.
Verzoeker heeft bij brief van 18 september 2014 verzocht om herziening van de uitspraak van 23 juli 2014.
2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
2.1.
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2.2.
Verzoeker heeft in zijn verzoek - samengevat - gesteld dat sprake is van rechtsdwaling. Volgens verzoeker heeft het Uwv miskend dat lichamelijke klachten de grondslag zijn van zijn psychische klachten.
2.3.
Verzoeker heeft geen feiten en omstandigheid als bedoeld in artikel 8:119 van Pro de Awb naar voren gebracht. Verzoeker trekt met zijn stelling over rechtsdwaling en de oorzaak van zijn klachten in wezen de juistheid van de uitspraak van 23 juli 2014 in twijfel en beoogt daarmee alsnog een inhoudelijke beoordeling te laten plaatsvinden. Naar vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraken van 3 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1945, en 5 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:319) is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als onder 2.1 bedoeld, een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen. Het verzoek om herziening zal daarom worden afgewezen.
3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2016.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) C.M.A.V. van Kleef

UM