ECLI:NL:CRVB:2016:747
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging eervol ontslag wegens onmogelijkheid tot herplaatsing ambtenaar
Appellante was sinds 1999 werkzaam bij Rijkswaterstaat en werd door een reorganisatie herplaatsingskandidaat. De minister verleende haar eervol ontslag per 15 januari 2013 op grond van artikel 96, eerste lid, ARAR, omdat herplaatsing in een passende functie niet mogelijk was.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van appellante tegen het ontslag ongegrond, stellende dat de minister voldoende inspanningen had verricht om herplaatsing te realiseren, waaronder het aanbieden van opleidingen, begeleiding door trajectmanagers en meerdere sollicitatiemogelijkheden, evenals tijdelijke functies.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten over onvoldoende inspanningen en onzorgvuldigheid in het reorganisatieproces. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de minister bevoegd was het eervol ontslag te verlenen, omdat de herplaatsingsactiviteiten toetsbaar en voldoende waren geweest.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het eervol ontslag wordt bevestigd.