ECLI:NL:CRVB:2016:848
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek Wuv-uitkering tweede generatie vervolgde
Appellant, geboren in 1958, verzocht om herziening van een besluit uit 1994 waarin hij niet werd gelijkgesteld met zijn vader als vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). De oorspronkelijke afwijzing was gebaseerd op het oordeel dat zijn psychische klachten niet het niveau van ziekte of gebrek bereikten dat in overwegende mate verband hield met de vervolging van zijn vader.
In 2014 diende appellant een verzoek tot herziening in wegens verergering van zijn psychische klachten, dat werd afgewezen door verweerder en gehandhaafd na bezwaar. Appellant stelde dat het geneeskundig onderzoek in 1994 onzorgvuldig was uitgevoerd, maar de Raad oordeelde dat geen aperte, verwijtbare fouten waren gemaakt en dat het beleid van verweerder om alleen bij duidelijke fouten tot herziening over te gaan niet onredelijk was.
De Raad benadrukte dat sinds een wetswijziging in 1994 alleen personen die tijdens de oorlogsjaren zelf vervolging hebben ondervonden, gelijkgesteld kunnen worden met een vervolgde. Appellant, geboren na de oorlog, valt hier niet onder. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van herziening van de Wuv-uitkering wordt ongegrond verklaard.