ECLI:NL:CRVB:2014:1586

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 mei 2014
Publicatiedatum
8 mei 2014
Zaaknummer
13-486 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WuvArt. 61 Wuv
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tweede generatieslachtoffer Wuv wegens ontbreken aperte fout

Appellant, geboren in 1951 en zoon van erkende vervolgingsslachtoffers, verzocht om een uitkering als tweede generatieslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). In 1994 werd zijn verzoek afgewezen omdat zijn psychische klachten niet het niveau van ziekte of gebrek bereikten en niet in overwegende mate verband hielden met vervolgingsgevolgen.

In 2011 vroeg appellant opnieuw om gelijkstelling, met een beroep op verslechterde gezondheid. Verweerder weigerde dit, omdat de Wuv sinds 1994 geen gelijkstelling meer toestaat voor personen die na de oorlog zijn geboren. De Raad beoordeelde het verzoek als een herzieningsverzoek van het besluit uit 1994 en stelde dat alleen bij een aperte, verwijtbare fout herziening mogelijk is.

De Raad concludeert dat het oorspronkelijke besluit gebaseerd was op een psychiatrisch rapport uit 1994 waarin lichte klachten werden vastgesteld, maar geen ziekte. Latere medische verklaringen uit na 1994 konden het eerdere oordeel niet wijzigen. Appellant had bezwaren tegen het onderzoek destijds kunnen aanvoeren, maar heeft dat niet gedaan. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van aperte, verwijtbare fouten bij het oorspronkelijke besluit.

Uitspraak

13/486 WUV
Datum uitspraak: 8 mei 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[Appellant] te [plaatsnaam], Engeland (appellant)
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 5 november 2012, kenmerk BZ01502487 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2014. Daar is appellant in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.
Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant is geboren in 1951. Zijn beide ouders zijn erkend als vervolgingsslachtoffers in de zin van de Wuv. Bij besluit van 2 november 1994 heeft verweerder geweigerd appellant met toepassing van artikel 3, tweede lid (oud), van de Wuv met de vervolgde gelijk te stellen. Daartoe is overwogen de psychische klachten van appellant niet het niveau bereiken van een ziekte of gebrek, zodat er ook geen sprake kan zijn van klachten die in overwegende mate in verband staan met de vervolgingsgevolgen van zijn ouders. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.
1.2.
In december 2011 heeft appellant opnieuw verzocht om als tweede generatieslachtoffer in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Wuv. Appellant heeft melding gemaakt van een verslechtering die in zijn gezondheidstoestand is opgetreden. Omdat de Wuv na 15 juli 1994 niet meer de mogelijkheid biedt om personen van de zogenoemde tweede generatie met de vervolgde gelijk te stellen heeft verweerder de aanvraag van appellant in behandeling genomen als een verzoek om het besluit van 2 november 1994 te herzien. Bij besluit van 20 april 2012, na gemaakt bewaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, is dat verzoek afgewezen op de grond dat bij de eerdere afwijzing geen aperte, verweerder verwijtbare, fouten zijn gemaakt.
2.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
2.1.
Met ingang van 15 juli 1994 is artikel 3, tweede lid, van de Wuv ingrijpend gewijzigd. Sindsdien kunnen uitsluitend personen met de vervolgde worden gelijkgesteld die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerden die met vervolging overeenkomsten vertonen. Appellant is na de oorlog geboren en behoort daarom niet tot die groep van personen.
2.2.
Deze wetswijziging staat er niet aan in de weg dat verweerder aanvragen van na de oorlog geborenen, die op of na 15 juli 1994 worden ingediend en ertoe strekken voordien genomen besluiten tot afwijzing van een verzoek om gelijkstelling te herzien, in behandeling neemt en op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wuv beoordeelt. Verweerster voert het beleid dat, gegeven de sluiting van de Wuv voor de tweede generatie, alleen dan aanleiding bestaat om tot herziening over te gaan als er bij het besluit waarvan herziening wordt verzocht, een aperte, verweerder verwijtbare fout is gemaakt. Dit beleid gaat het gegeven wettelijke kader niet te buiten en is niet onredelijk (CRvB 2 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9476).
2.3.
Het besluit van 2 november 1994 was in hoofdzaak gebaseerd op het rapport van de psychiater dr. G. Adshead, die appellant heeft onderzocht. Deze psychiater stelde vast dat appellant lichte psychische klachten heeft die weliswaar verband houden met zijn jeugdsituatie, maar dat die klachten niet het niveau bereiken van een ziekte of gebrek. Verder heeft de huisarts op 19 augustus 1994 aangegeven dat appellant bij hem niet bekend is met psychische klachten.
2.4.
In hetgeen appellant naar voren heeft gebracht ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat bij de oorspronkelijke beoordeling door verweerder een aperte, verwijtbare fout is gemaakt. De door appellant overgelegde dokters- en andere verklaringen hebben niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Deze verklaringen dateren van (ruim) na de beslissing van 1994 en wijzen mogelijkerwijs op een langer bestaand psychisch toestandsbeeld, maar dat neemt niet weg dat bij het onderzoek in 1994 dergelijke klachten niet konden worden vastgesteld. Dat na afwijzing in 1994 de psychische klachten zijn toegenomen kan in dit geval, gezien de onder 2.1 genoemde sluiting van de Wuv voor personen als appellant, niet van betekenis zijn. De door appellant geuite bezwaren tegen het onderzoek van Adshead en de omstandigheid dat hij nimmer het rapport ter correctie voorgelegd heeft gekregen, had hij naar voren kunnen brengen in een bezwaarprocedure tegen het oorspronkelijke besluit van 2 november 1994. In dat besluit heeft hij echter berust. Dat appellant om hem moverende redenen destijds geen verdere stappen heeft ondernomen dient voor zijn rekening te blijven.
2.5.
Het beroep van appellant moet ongegrond worden verklaard.
3.Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2014.
(getekend) A. Beuker-Tilstra
(getekend) B. Rikhof

HD