Uitspraak
3 december 2014, 14/2495
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig productiemedewerker, heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om geen hogere WGA-vervolguitkering toe te kennen wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen sinds 10 augustus 2013. Na onderzoek door verzekeringsartsen en arbeidskundigen oordeelde het UWV dat de beperkingen niet waren toegenomen. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en stelde vast dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de medische gegevens geen aanwijzingen bevatten voor een toename van beperkingen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het liesprobleem waar hij in 2014 aan geopereerd is, al in 2013 tot meer beperkingen leidde, en dat een arts in Marokko hem op 70% arbeidsongeschikt had geschat. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze argumenten een herhaling van eerdere stellingen zijn en dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het besluit van het UWV op een deugdelijke medische grondslag berust. Er was geen aanwijzing voor onzorgvuldig onderzoek of onjuiste vaststelling van beperkingen.
De Raad concludeerde dat de functies waarop het besluit is gebaseerd medisch geschikt zijn voor appellant en dat de arbeidskundige rapporten dit inzichtelijk maken. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om geen hogere WGA-uitkering toe te kennen wordt bevestigd.