ECLI:NL:CRVB:2016:884
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- F. Hoogendijk
- J.L. Boxum
- Rechtspraak.nl
Herstel verlaging bijstand wegens onjuiste inwoning zoon per 1 juni 2013
Appellanten ontvingen bijstand volgens de WWB en kregen een verlaging van 10% opgelegd omdat hun zoon bij hen zou inwonen. Het dagelijks bestuur maakte deze verlaging ongedaan per 4 juni 2013, maar appellanten stelden dat de zoon al vanaf 1 juni 2013 was verhuisd.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen het besluit van 4 juli 2013 ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak voor zover het bezwaar ongegrond werd verklaard. De Raad stelt vast dat appellanten aannemelijk hebben gemaakt dat de zoon al op 1 juni 2013 was verhuisd, waardoor de verlaging met ingang van die datum ongedaan moet worden gemaakt.
Verder oordeelt de Raad dat de brieven van 30 en 31 juli 2013 geen besluiten zijn en bevestigt dat de bezwaren daartegen terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. Appellanten voerden ook een patroon van verwijten aan, maar dit kan in dit hoger beroep niet worden beoordeeld.
De Raad wijst proceskosten af omdat appellanten de juiste informatie eerder hadden kunnen verstrekken, waardoor het college het juiste besluit in eerste instantie had kunnen nemen. De uitspraak van 8 maart 2016 herroept het besluit van 4 juli 2013 en bepaalt dat de bijstandsverlaging met ingang van 1 juni 2013 ongedaan wordt gemaakt.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 10% wordt met ingang van 1 juni 2013 ongedaan gemaakt.