Appellant ontving een AOW-pensioen met een korting van 20% wegens tien niet verzekerde jaren, omdat hij in die periodes in Spanje en Canada verbleef. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) paste deze korting toe op basis van het verlies van ingezetenschap.
De rechtbank vernietigde het besluit wegens een onjuiste toetsingsmaatstaf, maar liet de rechtsgevolgen in stand. In hoger beroep stelde appellant dat hij gedurende de betwiste perioden wel ingezetene van Nederland was gebleven, onderbouwd met bewijsstukken en getuigenverklaringen.
De Raad beoordeelde dat appellant in de periode 26 augustus 1975 tot 16 november 1976 en van 15 mei 1977 tot 30 juli 1978 een duurzame persoonlijke band met Nederland behield, mede omdat hij alleen in de zomermaanden in Spanje werkte en zijn woning in Nederland bleef behouden. Voor de periode van 16 april 1981 tot 31 augustus 1988 oordeelde de Raad dat appellant geen ingezetene meer was, omdat hij en zijn gezin in Canada woonden en werkten, en zijn zoon daar school liep.
De Raad vernietigde de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, verklaarde het beroep gegrond en droeg de Svb op een nieuwe beslissing te nemen. Tevens werden proceskosten en getuigenvergoedingen toegewezen.