ECLI:NL:CRVB:2016:906
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag wegens ongeschiktheid afdelingshoofd na onvoldoende functioneren
Appellante was sinds 2009 werkzaam als afdelingshoofd bij verschillende penitentiaire inrichtingen en kreeg vanaf 2010 een vaste aanstelling. Gedurende haar dienstverband werd zij herhaaldelijk gewezen op tekortkomingen in haar functioneren, waaronder het niet behalen van doelen, slechte communicatie en onvoldoende aansturing van medewerkers.
Na functioneringsgesprekken, een begeleidingstraject en een bewijsopdracht in een andere inrichting, bleef het functioneren van appellante onvoldoende. De minister besloot haar daarom te ontheffen uit haar functie, tijdelijk andere werkzaamheden op te dragen, buitengewoon verlof te verlenen en uiteindelijk ontslag te verlenen wegens ongeschiktheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad oordeelt dat de minister in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van zijn ontslagbevoegdheid, omdat appellante voldoende kansen heeft gekregen om haar functioneren te verbeteren maar deze niet heeft benut.
Ook het opleggen van buitengewoon verlof en tijdelijke overplaatsing waren volgens de Raad gerechtvaardigd gezien de omstandigheden en het dienstbelang. Er is geen grond voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid heeft gehandeld.
De Raad wijst het hoger beroep af en bevestigt de eerdere uitspraak, zonder aanleiding voor proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt afgewezen en het ontslag wegens ongeschiktheid wordt bevestigd.