Uitspraak
drs. H. ten Brinke.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant viel op 5 juli 2007 uit voor zijn werk als chauffeur vanwege psychische klachten en ontving een WIA-uitkering. Na een fietsongeval in 2012 meldde hij zich ziek en ontving een Ziektewet-uitkering. Het UWV stelde bij besluit van 4 april 2013 vast dat appellant vanaf 8 april 2013 niet langer recht had op deze uitkering, omdat hij geschikt werd geacht voor maatgevende arbeid van 20 uur per week.
Appellant maakte bezwaar en ging in beroep, stellende dat hij fulltime arbeid niet aankon vanwege psychische beperkingen, ondersteund door een brief van zijn psychotherapeut. De verzekeringsartsen concludeerden echter dat appellant ondanks lichte klachten geschikt was voor de maatgevende arbeid en dat er geen nieuwe medische ziektebeelden waren die extra beperkingen rechtvaardigden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellant adequaat waren meegewogen. De aanvullende informatie van de psychotherapeut bracht geen nieuwe inzichten die tot een andere conclusie leidden.
De Raad bevestigde dat appellant geen recht meer heeft op een Ziektewet-uitkering vanaf 8 april 2013 en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Ziektewet-uitkering van appellant wordt beëindigd per 8 april 2013 wegens geschiktheid voor maatgevende arbeid.