Appellant was werkzaam als machine-operator en ontving een Ziektewetuitkering na ziekmelding wegens psychische klachten. Het UWV beëindigde de uitkering per 25 januari 2013 op grond van geschiktheid voor arbeid, ondanks het gebruik van het medicijn Valdoxan. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar stelde dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd wat de invloed van Valdoxan was.
In hoger beroep stelde appellant dat de bijwerkingen van Valdoxan, zoals duizeligheid en slaperigheid, het bedienen van machines konden belemmeren. Het UWV stelde dat appellant geschikt was voor een combinatie van functies (machine-operator en ijsverpakker). De Raad volgde het standpunt van het UWV dat deze combinatie als 'zijn arbeid' geldt.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep had appellant onderzocht en oordeelde dat het gebruik van 50 mg Valdoxan per dag geen belemmering vormde voor het veilig verrichten van werkzaamheden met machines en scherpe voorwerpen. De Raad achtte de motivatie van de arts zorgvuldig en overtuigend en stelde dat de waarschuwing in de bijsluiter niet betekent dat de bijwerkingen daadwerkelijk spelen.
De Raad vernietigde het bestreden besluit wegens onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat appellant geschikt werd geacht voor zijn arbeid. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.