ECLI:NL:CRVB:2016:999
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting over woonadres
Appellant ontving sinds februari 2013 bijstand op grond van de WWB en had bij aanvraag opgegeven te wonen op het adres van zijn moeder. Na signalen van een inkomensconsulent dat appellant afspraken miste en zijn uitkeringsadres slechts als postadres gebruikte, voerde de gemeente Amsterdam onderzoek uit, waaronder een huisbezoek en een gesprek met appellant. Het college besloot de bijstand per 21 oktober 2013 in te trekken wegens niet-naleving van de inlichtingenverplichting over zijn woonsituatie.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat hij onvoldoende duidelijkheid gaf over zijn verblijfplaatsen. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij wel zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres aannemelijk had gemaakt, dat het college eerst had moeten schorsen om hem de kans te geven zijn situatie toe te lichten, dat zijn gedrag te wijten was aan emotionele overspannenheid, en dat het college bevoegd was, niet verplicht tot intrekking.
De Raad verwierp deze gronden: appellant gaf onvoldoende duidelijkheid over zijn woonsituatie, het college was niet verplicht eerst op te schorten, appellant onderbouwde zijn emotionele toestand niet, en sinds 1 juli 2013 is het college verplicht bij schending van de inlichtingenplicht de bijstand in te trekken. De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees proceskosten af.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting over het woonadres wordt bevestigd.