ECLI:NL:CRVB:2016:999

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 maart 2016
Publicatiedatum
21 maart 2016
Zaaknummer
14/4969 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54, derde lid, WWB
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting over woonadres

Appellant ontving sinds februari 2013 bijstand op grond van de WWB en had bij aanvraag opgegeven te wonen op het adres van zijn moeder. Na signalen van een inkomensconsulent dat appellant afspraken miste en zijn uitkeringsadres slechts als postadres gebruikte, voerde de gemeente Amsterdam onderzoek uit, waaronder een huisbezoek en een gesprek met appellant. Het college besloot de bijstand per 21 oktober 2013 in te trekken wegens niet-naleving van de inlichtingenverplichting over zijn woonsituatie.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat hij onvoldoende duidelijkheid gaf over zijn verblijfplaatsen. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij wel zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres aannemelijk had gemaakt, dat het college eerst had moeten schorsen om hem de kans te geven zijn situatie toe te lichten, dat zijn gedrag te wijten was aan emotionele overspannenheid, en dat het college bevoegd was, niet verplicht tot intrekking.

De Raad verwierp deze gronden: appellant gaf onvoldoende duidelijkheid over zijn woonsituatie, het college was niet verplicht eerst op te schorten, appellant onderbouwde zijn emotionele toestand niet, en sinds 1 juli 2013 is het college verplicht bij schending van de inlichtingenplicht de bijstand in te trekken. De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees proceskosten af.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting over het woonadres wordt bevestigd.

Uitspraak

14/4969 WWB
Datum uitspraak: 22 maart 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
22 juli 2014, 14/1299 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2016. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving sinds 7 februari 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10%. Bij zijn aanvraag had hij meegedeeld te wonen op het adres van zijn moeder (uitkeringsadres).
1.2.
Naar aanleiding van een signaal van een inkomensconsulent van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam dat appellant enkele afspraken had gemist en had gemeld dat hij zijn uitkeringsadres gebruikt als postadres en daar niet verblijft door schulden, heeft een handhavingsspecialist van DWI een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft hij dossieronderzoek gedaan, de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans Basisregistratie personen) geraadpleegd en samen met een collega op 14 oktober 2013 een huisbezoek gebracht aan het uitkeringsadres. Omdat het huisbezoek door de opstelling van appellant is afgebroken, heeft de handhavingsspecialist samen met een andere collega op
21 oktober 2013 een gesprek met appellant gevoerd op het kantoor van DWI. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een ‘rapport van bevindingen alleenstaande’ van
22 oktober 2013.
1.3.
De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van
25 oktober 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 januari 2014 (bestreden besluit), de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB met ingang van 21 oktober 2013 in te trekken. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft voldaan aan zijn inlichtingen- en medewerkingsverplichting om zijn woonsituatie te kunnen vaststellen. Als gevolg hiervan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
1.4.
Het college heeft appellant naar aanleiding van een nieuwe aanvraag met ingang van
20 november 2013 weer bijstand verleend.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat appellant uiteenlopend heeft verklaard over de omvang van zijn verblijf op het uitkeringsadres, bij een vriend en bij zijn vriendin en dat hij de vraag hoe vaak hij in de afgelopen week op het uitkeringsadres heeft geslapen, niet heeft beantwoord.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellant heeft aangevoerd dat hij zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres wel aannemelijk heeft gemaakt. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat appellant, gelet op het verslag van het gesprek dat de handhavingsspecialisten van de DWI op 21 oktober 2013 met appellant hebben gevoerd, geen duidelijkheid heeft gegeven over zijn woonsituatie. Verwezen wordt naar de overwegingen van de rechtbank waarop dit oordeel berust.
4.2.
Appellant heeft voorts aangevoerd dat het college niet zorgvuldig heeft gehandeld door niet eerst het recht op bijstand op te schorten om appellant de tijd te geven om bij zinnen te komen. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is het college niet gehouden om het recht op bijstand eerst op te schorten en vervolgens een herstelmogelijkheid aan appellant te bieden. Bovendien heeft het college aan appellant de gelegenheid geboden om in het gesprek op 21 oktober 2013 alsnog duidelijkheid te verschaffen over zijn woonsituatie nadat het bezoek aan het uitkeringsadres op 14 oktober 2013, dat tot doel had om de woonsituatie van appellant vast te stellen, was afgebroken.
4.3.
Appellant heeft vervolgens aangevoerd dat hem zijn opstelling tijdens het huisbezoek en het gesprek niet kan worden verweten, gezien zijn overspannenheid en emotionele toestand. Deze beroepsgrond, wat daarvan ook zij, kan appellant niet baten, omdat appellant zijn stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd.
4.4.
Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college gehouden was de bijstand in te trekken, omdat geen sprake is van een verplichting, maar van een bevoegdheid tot intrekking. Deze beroepsgrond slaagt niet. Op het intrekkingsbesluit van 25 oktober 2013 is artikel 54, derde lid, van de WWB van de toepassing zoals dit sinds 1 juli 2013 luidt. Ingevolge artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de WWB is het college niet langer, zoals voorheen, bevoegd, maar verplicht de bijstand in te trekken indien sprake is van een schending van de inlichtingenverplichting.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en A.M. Overbeeke en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2016.
(getekend) W.H. Bel
(getekend) W. de Braal

HD