ECLI:NL:CRVB:2017:1037
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering wegens arbeidsongeschiktheid niet aannemelijk
Appellante was werkzaam als receptioniste en meldde zich op 19 augustus 2013 ziek. Het UWV besloot op 7 februari 2014 dat zij per 23 december 2013 weer geschikt was voor haar eigen werk, waardoor haar Ziektewetuitkering werd beëindigd. Dit besluit werd bij bezwaar gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat twee verzekeringsartsen haar hadden onderzocht en geen arbeidsongeschiktheid constateerden, terwijl appellante geen tegenbewijs aanleverde.
Appellante stelde in hoger beroep nog steeds onder behandeling te zijn bij specialisten en klaagde over pijnklachten, slapeloosheid en vermoeidheid, en verzocht om een onafhankelijke deskundige. De Raad onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en het UWV. De klachten zijn gerelateerd aan een verkeersongeval uit 2010 en er is geen nieuwe medische informatie die een wijziging in haar situatie aantoont. Appellante bracht ook geen nieuwe medische stukken in.
De Raad zag daarom geen aanleiding om een deskundige te raadplegen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 15 maart 2017.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering wegens ontbreken van arbeidsongeschiktheid.