Uitspraak
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als huishoudelijke hulp en beëindigde haar arbeidsovereenkomst op 31 mei 2014 met wederzijds goedvinden vanwege een verhuizing naar een andere plaats. Zij vroeg bijstand aan in Rotterdam, die met ingang van 1 juni 2014 werd toegekend, maar met een verlaging van 100% voor één maand vanwege het eigen toedoen van appellante bij het verlies van haar baan.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze maatregel ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat de verhuizing geen vrijwillige keuze was, maar bedoeld om haar arbeidskansen te vergroten omdat zij in haar oude woonplaats alleen parttime kon werken. De Raad oordeelde dat appellante deze stelling onvoldoende had onderbouwd.
De Raad verwierp ook het verweer dat appellante niet te kwader trouw had gehandeld en concludeerde dat de maatregel terecht was opgelegd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 100% voor één maand wegens eigen toedoen wordt bevestigd.