ECLI:NL:CRVB:2017:1112

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 maart 2017
Publicatiedatum
21 maart 2017
Zaaknummer
16/4242 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 PWArt. 16 PWWet betreffende de positie van Molukkers (Faciliteitenwet)
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand wegens niet-verlenging verblijfsrecht en niet-toepassing Faciliteitenwet

Appellant, met de Indonesische nationaliteit, ontving bijstand op grond van de Participatiewet vanwege een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die tot 10 januari 2014 was verlengd. De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees de aanvraag tot verlenging van deze vergunning af, waarna appellant niet langer rechtmatig in Nederland verbleef.

Het college van burgemeester en wethouders van Krimpen aan den IJssel trok daarop de bijstand met ingang van 14 oktober 2014 in en vorderde de kosten van bijstand over de periode tot 1 april 2015 terug. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij rechtmatig verbleef op grond van de Faciliteitenwet van 1976, die Molukkers van rechtswege als Nederlanders behandelt. Dit werd verworpen omdat appellant in 1976 niet in Nederland woonde.

Verder stelde appellant dat er zeer dringende redenen waren voor bijstand, omdat hij financieel volledig afhankelijk was van familie. Ook dit verweer faalde omdat hij niet viel onder de relevante uitzonderingen in de Participatiewet. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees de beroepsgronden af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf en niet-toepassing van de Faciliteitenwet.

Uitspraak

16/4242 PW
Datum uitspraak: 21 maart 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
18 mei 2016, 15/5569 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Krimpen aan den IJssel (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.G. Wattilete, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2017. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
A.B.E. Donkers-van Laar.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant, geboren op [geboortedatum] 1964, bezit de Indonesische nationaliteit. Appellant ontving bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW), omdat hij beschikte over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die laatstelijk is verlengd tot 10 januari 2014.
1.2.
Bij besluit van 6 december 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 maart 2014, heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie de aanvraag tot verlenging van die verblijfsvergunning afgewezen. Een nieuwe aanvraag van appellant voor het verlenen van een verblijfsvergunning is bij besluit van 15 april 2014 afgewezen. Het hiertegen gerichte bezwaar is bij beschikking van 14 oktober 2014 kennelijk ongegrond verklaard. Daarbij is vermeld dat appellant na bekendmaking van dat besluit van rechtswege niet langer rechtmatig in Nederland verblijft.
1.3.
Bij besluit van 28 mei 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 augustus 2015 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand met ingang van 14 oktober 2014 ingetrokken en de over de periode van 14 oktober 2014 tot 1 april 2015 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 5.444,79 van appellant teruggevorderd. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant vanaf 14 oktober 2014 onrechtmatig in Nederland verblijft, als gevolg daarvan op grond van artikel 11 van Pro de PW geen recht meer heeft op bijstand en dat geen sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16 van Pro de PW die noodzaken tot bijstandsverlening.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellant heeft aangevoerd dat hij rechtmatig in Nederland verblijft op grond van de Wet betreffende de positie van Molukkers van 9 september 1976 (de Faciliteitenwet), omdat hij ingevolge artikel 1 van Pro die wet van rechtswege dient te worden behandeld als Nederlander.
4.1.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Het is niet in geschil dat appellant ten tijde van de inwerkingtreding van de Faciliteitenwet in 1976 geen woonplaats of werkelijk verblijf had in Nederland, als bedoeld in artikel 1 van Pro de Faciliteitenwet. Zoals de rechtbank ´s-Gravenhage in de beschikking van 30 januari 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BV3323, bevestigd door het arrest van de Hoge Raad van 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1462, reeds heeft geoordeeld, betekent dit dat de bepalingen van de Faciliteitenwet niet op appellant van toepassing zijn. Appellant behoorde dan ook niet tot de kring van rechthebbenden als bedoeld in artikel 11 van Pro de PW.
4.2.
Appellant heeft voorts aangevoerd dat sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW, op grond waarvan hij recht op bijstand heeft, nu hij niet zelfstandig beschikt over financiële middelen om in zijn levensonderhoud te voorzien en volledig is aangewezen op ondersteuning door familieleden.
4.2.1.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant is geen vreemdeling als bedoeld in
artikel 11, tweede of derde lid, van de PW, zodat op grond van artikel 16, tweede lid, van de PW het eerste lid niet op appellant van toepassing is.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2017.
(getekend) J.L. Boxum
(getekend) J.M.M. van Dalen

HD