ECLI:NL:CRVB:2017:1112
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet-verlenging verblijfsrecht en niet-toepassing Faciliteitenwet
Appellant, met de Indonesische nationaliteit, ontving bijstand op grond van de Participatiewet vanwege een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die tot 10 januari 2014 was verlengd. De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees de aanvraag tot verlenging van deze vergunning af, waarna appellant niet langer rechtmatig in Nederland verbleef.
Het college van burgemeester en wethouders van Krimpen aan den IJssel trok daarop de bijstand met ingang van 14 oktober 2014 in en vorderde de kosten van bijstand over de periode tot 1 april 2015 terug. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij rechtmatig verbleef op grond van de Faciliteitenwet van 1976, die Molukkers van rechtswege als Nederlanders behandelt. Dit werd verworpen omdat appellant in 1976 niet in Nederland woonde.
Verder stelde appellant dat er zeer dringende redenen waren voor bijstand, omdat hij financieel volledig afhankelijk was van familie. Ook dit verweer faalde omdat hij niet viel onder de relevante uitzonderingen in de Participatiewet. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees de beroepsgronden af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf en niet-toepassing van de Faciliteitenwet.