Uitspraak
OVERWEGINGEN
4 juli 2014 vermeld voornemens te zijn deze aanvraag af te wijzen, omdat appellant bij besluit van 20 juni 2014 reeds opvang tot de [locatie] is verleend.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, werd door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam onverplicht toegelaten tot maatschappelijke opvang op een locatie in Amsterdam. Het college nam besluiten op 20 juni 2014 (toelating tot crisisopvang) en 29 augustus 2014 (afwijzing aanvraag opvang). Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten en tegen een brief van 4 juli 2014 waarin het college zijn aanvraag wilde afwijzen.
Het college verklaarde de bezwaren niet-ontvankelijk en stelde dat met het besluit van 20 juni 2014 reeds maatschappelijke opvang was verleend. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, omdat appellant gedurende de gehele periode opvang ontving en dus geen belang had bij verdere beoordeling.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het college en de rechtbank ten onrechte het bezwaar tegen het besluit van 29 augustus 2014 niet-ontvankelijk verklaarden en dat appellant wel belang heeft bij beoordeling van het besluit. De Raad vernietigt het besluit van 14 januari 2015 en verklaart de bezwaren tegen de besluiten van 20 juni en 29 augustus 2014 ongegrond, waarbij het college terecht stelt dat de opvang onverplicht maatschappelijke opvang is volgens de Wmo. De Raad wijst toe dat toelating tot maatschappelijke opvang niet automatisch recht geeft op uitkering of leefgeld volgens de Regeling verstrekkingen asielzoekers. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit van 14 januari 2015 wordt vernietigd en de bezwaren tegen de besluiten van 20 juni en 29 augustus 2014 worden ongegrond verklaard.