Uitspraak
8 juli 2015, 14/3281 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen krachtens de Vreemdelingenwet 2000, vroeg maatschappelijke opvang aan bij het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Deze aanvraag werd op 23 december 2013 afgewezen en het bezwaar daarop werd op 15 april 2014 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) niet van hem kon worden gevergd en dat de voorwaarde van medewerking aan vertrek onrechtmatig was. De Raad overwoog dat opvang in een VBL in het algemeen als een voldoende voorziening geldt en daarmee een aan de Wmo voorliggende voorziening is, die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt.
De Raad verwierp het betoog over de onrechtmatigheid van de medewerkingsvoorwaarde, aangezien de beoordeling daarvan voorbehouden is aan de staatssecretaris en uiteindelijk aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de maatschappelijke opvang wordt bevestigd.