ECLI:NL:CRVB:2017:1194

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 maart 2017
Publicatiedatum
29 maart 2017
Zaaknummer
15/5229 WMO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Vw 2000Art. 11 Vw 2000Wet maatschappelijke ondersteuningECLI:NL:CRVB:2015:3803ECLI:NL:RVS:2016:434
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang voor vreemdeling op grond van Wmo

Appellant, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen krachtens de Vreemdelingenwet 2000, vroeg maatschappelijke opvang aan bij het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Deze aanvraag werd op 23 december 2013 afgewezen en het bezwaar daarop werd op 15 april 2014 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond.

In hoger beroep stelde appellant dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) niet van hem kon worden gevergd en dat de voorwaarde van medewerking aan vertrek onrechtmatig was. De Raad overwoog dat opvang in een VBL in het algemeen als een voldoende voorziening geldt en daarmee een aan de Wmo voorliggende voorziening is, die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt.

De Raad verwierp het betoog over de onrechtmatigheid van de medewerkingsvoorwaarde, aangezien de beoordeling daarvan voorbehouden is aan de staatssecretaris en uiteindelijk aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de maatschappelijke opvang wordt bevestigd.

Uitspraak

15/5229 WMO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
8 juli 2015, 14/3281 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
Datum uitspraak: 29 maart 2017
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2017. Namens appellant is verschenen mr. W.G. Fischer, advocaat. Het college is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant is een vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) die, op grond van het in de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 opgenomen koppelingsbeginsel, ten tijde hier van belang geen aanspraak had op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen.
1.2.
Het college heeft de aanvraag van appellant aangemerkt als aanvraag om opvang als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en deze aanvraag bij besluit van 23 december 2013 afgewezen.
1.3.
Bij besluit van 15 april 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 december 2013 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De beroepsgrond van appellant dat opvang in een VBL van hem niet kan worden gevergd, slaagt niet.
4.2.
Zoals de Raad in zijn uitspraak van 26 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3803, heeft overwogen mag ervan worden uitgegaan dat een vreemdeling als appellant van de opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) gebruik kan maken, dat de opvang in een VBL in het algemeen aangemerkt kan worden als een voldoende voorziening in het bieden van opvang en dat met plaatsing in een VBL voldoende invulling wordt gegeven aan de uit het internationaal recht voortvloeiende positieve verplichting opvang te bieden. Daarmee is de opvang in een VBL een aan de Wmo voorliggende voorziening die de noodzaak van opvang op grond van die wet wegneemt.
4.3.
Het betoog van appellant dat de aan de VBL verbonden voorwaarde van medewerking aan vertrek in zijn bijzondere omstandigheden onrechtmatig is, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Deze voorwaarde doet immers niet af aan de feitelijke beschikbaarheid van de VBL. De beoordeling van de rechtmatigheid van de gestelde voorwaarde is voorbehouden aan de staatssecretaris en – in hoger beroep – uiteindelijk aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). De Raad verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:434). Nu de VBL feitelijk voor appellant beschikbaar is, behoeft het arrest van 24 juni 2015 van het Hof van Justitie, C-373/13, H.T. (ECLI:EU:C:2015:413) geen bespreking meer en is er ook geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen.
4.4.
De omstandigheid dat appellant na het bestreden besluit alsnog onverplicht opvang heeft gekregen, maakt het voorgaande niet anders.
4.5.
Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2017.
(getekend) H.J. de Mooij
(getekend) M.S.E.S. Umans

KP