ECLI:NL:CRVB:2017:12
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- M. ter Brugge
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens vermogen boven grens en afwijzing beroep op vertrouwensbeginsel
Appellant ontving sinds 20 december 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Ten tijde van het geschil was appellant eigenaar van een woning in Groningen die hij niet bewoonde. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft op 5 februari 2013 het recht op bijstand van appellant opgeschort omdat hij niet de gevraagde gegevens had overgelegd en vervolgens op 19 februari 2013 de bijstand ingetrokken wegens het niet voldoen aan de verplichtingen.
Na diverse procedures, waaronder een vernietiging van eerdere uitspraken door de Raad, heeft het college op 4 april 2016 het bezwaar van appellant tegen de intrekking van de bijstand opnieuw ongegrond verklaard. Het college stelde dat appellant over vermogen beschikte in de eigen woning dat de grens van het vrij te laten vermogen overschreed, waardoor bijstand niet toekwam.
Appellant voerde aan dat het college hem gerechtvaardigd vertrouwen had gegeven dat hij zijn bijstand zou behouden, omdat het college al bij aanvang van de bijstand op de hoogte was van zijn woningbezit. De Raad oordeelde dat voor een beroep op het vertrouwensbeginsel uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen nodig zijn, wat in dit geval ontbrak. Het enkele doorbetalen van bijstand ondanks kennis van de woning was geen toezegging.
De Raad concludeerde dat appellant in de periode in geschil beschikte over vermogen boven de grens van het vrij te laten vermogen en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de intrekking van de bijstand wordt ongegrond verklaard en het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt afgewezen.