Uitspraak
OVERWEGINGEN
Appellant heeft aangevoerd dat hij een kamer huurt bij K en dat sprake is van een commerciële huurrelatie. Wat wordt geconcludeerd op grond van de waarnemingen bij het huisbezoek en de tijdens het huisbezoek afgelegde verklaring van appellant, klopt volgens hem niet. Appellant stelt dat hij onder andere heeft verklaard dat in de wasmand in de badkamer weliswaar kleding van K aanwezig was, maar dat hij zijn kleren gescheiden wast van de kleding van K. Verder kookt en eet appellant niet samen met K. In het kader van het zorgvuldigheidsbeginsel had volgens appellant het college aan K ook vragen kunnen stellen. Tot slot heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het college geen gebruik heeft gemaakt van een “checklist gezamenlijke huishouding”.