ECLI:NL:CRVB:2017:1369
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens ontbreken gezamenlijke huishouding en onduidelijke werkzaamheden
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en stond ingeschreven op een adres dat tevens een kraakpand en centrum voor ondersteuning was. Het college stelde na onderzoek vast dat appellant en K geen gezamenlijke huishouding voerden, omdat er geen wederzijdse zorg was en de financiële verstrengeling minimaal was. Tevens verrichtte appellant werkzaamheden als beheerder van het centrum, waarvoor hij donaties ontving maar geen administratie bijhield.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en het hoger beroep bevestigde dit oordeel. De Raad concludeerde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat K zorg aan hem verleende, waardoor het criterium van gezamenlijke huishouding niet was voldaan. Daarnaast kon niet worden vastgesteld of appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde vanwege het ontbreken van inzicht in de donaties en inkomsten.
Daarmee kon het college de bijstand terecht intrekken op subsidiaire gronden. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen, maar het college werd wel veroordeeld in de proceskosten van appellant. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 11 april 2017.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de bijstand wordt bevestigd.