De minister herzag de studiefinanciering van appellant per 1 februari 2013 van uitwonend naar thuiswonend na een onderzoek naar zijn woonsituatie. Appellant maakte bezwaar tegen deze herziening en tegen een opgelegde bestuurlijke boete, maar het bezwaar tegen de herziening werd niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder verschoonbare reden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar appellant stelde in hoger beroep dat hij het besluit van 12 oktober 2013 niet had ontvangen en dat de termijnoverschrijding daarom verschoonbaar was. De Raad oordeelde dat er sprake was van een ongeloofwaardige ontkenning van ontvangst door appellant, waardoor de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was.
Ten aanzien van de boete stelde appellant dat het onderzoek dat tot de boete leidde was uitgevoerd door onbevoegde controleurs. De Raad bevestigde dit en verklaarde het bewijs onrechtmatig verkregen, waardoor het boetebesluit niet deugdelijk gemotiveerd was en vernietigde het besluit. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.