ECLI:NL:CRVB:2017:1382

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 april 2017
Publicatiedatum
12 april 2017
Zaaknummer
15/147 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.5 Wsf 2000Art. 9.1a Wsf 2000
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing boete oplegging op grond van Wet studiefinanciering 2000 wegens onjuiste woonsituatie

Appellant, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, legde betrokkene een bestuurlijke boete op wegens vermeende onjuiste inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba) met betrekking tot zijn woonsituatie. Het onderzoek dat daaraan ten grondslag lag, werd uitgevoerd door controleurs die niet bevoegd waren volgens de aanwijzing van artikel 9.1a Wsf 2000.

De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het boetebesluit, omdat appellant niet had aangetoond dat betrokkene niet woonachtig was op het opgegeven adres. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak, omdat het bewijs van het onderzoek onrechtmatig was verkregen en daarom niet als bewijs mocht dienen.

De Raad oordeelde dat zonder dit bewijs geen voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van appellant dat betrokkene niet op het adres woont. Het bestreden besluit berustte daardoor niet op een deugdelijke motivering. Het hoger beroep werd afgewezen en appellant werd veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt afgewezen en het boetebesluit wordt vernietigd wegens onrechtmatig verkregen bewijs.

Uitspraak

15/1457 WSF
Datum uitspraak: 12 april 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 februari 2015, 14/4095 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (appellant)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. A.F. Mandos, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.F. Hofstee. Betrokkene is vertegenwoordigd door mr. Mandos.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant heeft, voor zover hier van belang, betrokkene met ingang van 1 januari 2012 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.
1.2.
Op 15 oktober 2013 hebben twee controleurs in opdracht van appellant onderzoek gedaan naar de woonsituatie van betrokkene. Daartoe is een huisbezoek afgelegd op het adres waaronder betrokkene op dat moment in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba) stond ingeschreven om te controleren of hij op dit adres woont. Van het onderzoek is op 16 oktober 2013 een rapport opgemaakt.
1.3.
Appellant heeft, voor zover hier van belang, op basis van dat rapport, bij besluit van
10 januari 2014 een bestuurlijke boete aan betrokkene opgelegd.
1.4.
Bij besluit van 8 april 2014 (bestreden besluit) heeft appellant, voor zover hier van belang, het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 10 januari 2014 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit, voor zover gericht tegen de boeteoplegging, gegrond verklaard, het bestreden besluit in zoverre vernietigd, het besluit van 10 januari 2014 herroepen en bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat appellant niet heeft aangetoond dat betrokkene niet woonachtig is op het opgegeven gba-adres.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover die ziet op de boete. Naar de opvatting van appellant volgt uit het verrichte onderzoek dan ook dat betrokkene niet woonachtig is op het opgegeven gba-adres.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Ingevolge artikel 9.1a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000 zijn met het toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wsf 2000 belast de bij besluit van de minister aangewezen ambtenaren of andere personen. Bij besluit van 19 april 2012, nr. HO&S/399254, zijn voor dit toezicht aangewezen – onder meer – personen werkzaam bij [naam B.V.]
4.2.
In zijn uitspraak van 4 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2, heeft de Raad geoordeeld dat onder deze aanwijzing niet ook personen vallen die werkzaam zijn bij de werkmaatschappijen van [naam B.V.]
4.3.
Het onder 1.2 vermelde onderzoek is verricht door [X en Y]. Het is de Raad ambtshalve bekend dat deze controleurs ten tijde van het onderzoek niet werkzaam waren bij [naam B.V.], maar bij een van haar werkmaatschappijen, zodat zij niet voor het toezicht bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000 waren aangewezen.
4.4.
Nu genoemde controleurs niet bevoegd waren tot het houden van dat toezicht, is het door hen bij het onderzoek verzamelde bewijs onrechtmatig verkregen en moet dat bewijs, zoals ook volgt uit de onder 4.2 genoemde uitspraak, worden uitgesloten.
4.5.
Aangezien zonder de bevindingen van het onderzoek niet een voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van appellant dat betrokkene niet woont op het adres waaronder hij in de gba stond ingeschreven, berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering.
4.6.
Wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop zij rust.
5. Aanleiding bestaat om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 990,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 990,-;
- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 497,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van R.I. Troelstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2017.
(getekend) J. Brand
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

UM