ECLI:NL:CRVB:2017:1426

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 april 2017
Publicatiedatum
13 april 2017
Zaaknummer
16/4221 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.11 CAO NUArt. 9.1 CAO NUArt. 25 Wet op de ondernemingsradenArt. 8.9 CAO NU
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag wegens opheffing functie na marginale reorganisatie bij Universiteit Leiden

Appellante was sinds 2006 in dienst bij een instituut van de Universiteit Leiden, waarvan zij de enige werknemer was. Haar tijdelijke aanstelling werd in 2009 omgezet in een vast dienstverband, met de kanttekening dat beëindiging van financiering tot opheffing van haar functie kon leiden.

In 2011 werd haar functie opgeheven wegens het wegvallen van financiële middelen en werd zij als herplaatsingskandidaat aangemerkt. Na een periode van arbeidsongeschiktheid en een herplaatsingsonderzoek verleende het college van bestuur in 2015 ontslag wegens opheffing van haar functie, met een ingangsdatum in november 2015.

Appellante stelde dat haar ontslag onrechtmatig was omdat het onderdeel was van een reorganisatie die haar een ontslagbeschermingstermijn van tien maanden zou geven op grond van de CAO Nederlandse Universiteiten. De Raad oordeelde echter dat het instituut met slechts één werknemer een marginale positie innam en dat de opheffing geen reorganisatie betrof die betrekking had op een belangrijk onderdeel van de universiteit met ingrijpende gevolgen voor meerdere werknemers.

Daarom was de kortere ontslagbeschermingstermijn van drie maanden van toepassing. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het ontslag wegens opheffing van de functie wordt bevestigd zonder toepassing van de langere ontslagbeschermingstermijn.

Uitspraak

16/4221 AW
Datum uitspraak: 13 april 2017
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
12 mei 2016, 15/8938 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van bestuur van de Universiteit Leiden (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. T. Hoekstra hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken toegezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het college werd vertegenwoordigd door
mr. M.S.C.M. Stoop-van de Loo en mr. M.K. van Dijk.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante had sinds 16 november 2006 een tijdelijke aanstelling als projectleider bij het [instituut A.] van de Campus Den Haag ([instituut A.]) van de Universiteit Leiden.
1.2.
Bij besluit van 9 november 2009 is de tijdelijke aanstelling met ingang van
16 november 2009 omgezet in een aanstelling voor onbepaalde tijd. Daarbij is tevens te kennen gegeven dat haar aanstelling wordt gefinancierd uit (tijdelijke) externe middelen en dat beëindiging van de financiering ertoe kan leiden dat haar functie wordt opgeheven.
1.3.
Bij besluit van 17 februari 2011 heeft het college, als gevolg van het wegvallen van financiële middelen, appellantes functie bij het [instituut A.] met ingang van
1 maart 2011 opgeheven en haar met ingang van die datum als herplaatsingskandidaat aangemerkt. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.
1.4.
Vanaf 28 februari 2011 was appellante arbeidsongeschikt. Zij is met ingang van
24 december 2014 hersteld gemeld, waarna het herplaatsingsonderzoek is voortgezet tot
1 mei 2015.
1.5.
Nadat het college het voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellante haar zienswijze had gegeven, heeft het college bij besluit van 28 april 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 oktober 2015 (bestreden besluit), aan appellante met ingang van 1 augustus 2015 ontslag verleend wegens opheffing van haar functie.
1.6.
Bij besluit van 6 januari 2016 heeft het college op grond van artikel 8.9, derde lid, van de Collectieve Arbeidsovereenkomst Nederlandse Universiteiten (CAO NU) de ingangsdatum van het ontslag bepaald op 6 november 2015.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is haar functie opgeheven als gevolg van een reorganisatie. De onderbrenging van het [instituut A.] bij de Faculteit der Geesteswetenschappen moet, gelet op artikel 25, eerste lid, onder e en f, van de Wet op de ondernemingsraden, als reorganisatie worden aangemerkt. Dit betekent dat voor haar ingevolge artikel 9.11, eerste lid, van de CAO NU een ontslagbeschermingstermijn gold van tien maanden in plaats van drie maanden en dat haar ontslag niet eerder dan op 6 juni 2016 (zeven maanden na
6 november 2015) had mogen ingaan.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 9.11, eerste lid, van de CAO NU zal de werkgever gedurende een periode van tien maanden het dienstverband van een werknemer die op grond van een reorganisatie met ontslag bedreigd wordt, niet opzeggen.
4.2.
Ingevolge artikel 9.1 van de CAO NU wordt onder reorganisatie bij een universiteit of een onderdeel daarvan verstaan een verandering in de organisatie, zoals bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdeel a tot en met f, van de Wet op de ondernemingsraden, die betrekking heeft op de universiteit of op een belangrijk onderdeel daarvan, met directe en ingrijpende rechtspositionele gevolgen voor werknemers.
4.3.
De Raad stelt met het college vast dat het [instituut A.] met slechts één werknemer, in de persoon van appellante, een marginale positie innam binnen de Universiteit Leiden. Door de opheffing van het [instituut A.] en de onderbrenging daarvan in gewijzigde vorm bij de Faculteit der Geesteswetenschappen is alleen de functie van appellante vervallen. Dit brengt mee dat geen sprake is van een verandering in de organisatie die betrekking heeft op een belangrijk onderdeel van de universiteit met directe en ingrijpende rechtspositionele gevolgen voor (meerdere) werknemers. Reeds hierom gold voor appellante niet de ontslagbeschermingstermijn bedoeld in artikel 9.11, eerste lid, van de CAO NU.
4.4.
Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en K.J. Kraan en M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van W.A.M. Ebbinge als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2017.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) W.A.M. Ebbinge

HD