ECLI:NL:CRVB:2017:1484
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig horecamanager, meldde zich ziek in januari 2012 en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde in mei 2014 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, gebaseerd op medische en arbeidsdeskundige rapporten. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard.
De rechtbank oordeelde dat het medische onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellant juist waren weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De rechtbank vond geen reden om meer beperkingen aan te nemen, ook niet voor de door appellant genoemde tumor, hartproblemen en psychische klachten. De geselecteerde functies werden als passend beoordeeld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV-onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn lichamelijke en psychische klachten ernstig waren. De Raad onderschreef echter het oordeel van de rechtbank dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld. De Raad concludeerde dat de beenklachten niet waren onderschat en dat de medische informatie na de datum in geding niet relevant was voor de beoordeling.
De Raad bevestigde dat appellant geschikt is voor de geselecteerde functies en verwierp het hoger beroep. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.