Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2017:1493

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 april 2017
Publicatiedatum
19 april 2017
Zaaknummer
15/6567 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47a ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering voorschot Ziektewetuitkering wegens betwisting ontslag

Appellant was werkzaam als BOA/toezichthouder en kreeg op 6 november 2014 ongevraagd ontslag met ingang van drie dagen na verzending van het besluit. Appellant maakte bezwaar tegen het ontslag en meldde zich op 11 augustus 2014 ziek. Het UWV weigerde op 18 november 2014 een voorschot op de Ziektewetuitkering te verstrekken vanwege onduidelijkheid over loondoorbetaling.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond, omdat het ontslag juridisch werd betwist en daardoor twijfel bestond over het recht op loon. Appellant stelde in hoger beroep dat het besluit onvoldoende gemotiveerd was en dat hij vanaf 11 augustus 2014 recht had op bezoldiging en dus een voorschot op de ZW-uitkering.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad benadrukte dat zolang het ontslag juridisch wordt aangevochten en de procedure nog niet is afgerond, het UWV terecht geen voorschot verstrekt. Bovendien bestaat geen recht op ziekengeld als er nog recht op loon is. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het UWV heeft terecht het voorschot op de ZW-uitkering geweigerd.

Uitspraak

15/6567 ZW
Datum uitspraak: 19 april 2017
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van
6 augustus 2015, 15/2362 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk (werkgever)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.J.M. Boot, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2017. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
A.H.G. Boelen. Namens werkgever is, met bericht, niemand verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant was werkzaam bij werkgever als BOA/toezichthouder. Bij besluit van
6 november 2014 heeft werkgever appellant ongevraagd ontslag verleend met ingang van drie dagen na verzending van dit besluit. Hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt. Op
12 november 2014 heeft appellant zich per 11 augustus 2014 bij zijn werkgever ziek gemeld.
1.2.
Bij besluit van 18 november 2014 heeft het Uwv geweigerd appellant een voorschot op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) te verstrekken. Volgens het Uwv mag hij, zolang onduidelijkheid bestaat over de doorbetaling van loon, geen voorschot op een
ZW-uitkering verstrekken. Zodra deze onduidelijkheid is weggenomen, zal het Uwv de beoordeling van het recht op een ZW-uitkering hervatten.
1.3.
Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van
3 maart 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat, omdat nog twijfel bestaat over de vraag of appellant recht heeft op bezoldiging, het Uwv met toepassing van artikel 47a, tweede lid, van de ZW terecht heeft geweigerd om appellant een voorschot op een ZW-uitkering te verstrekken. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat er ten onrechte geen beslissing is genomen over zijn recht op een ZW-uitkering over de periode van 11 augustus 2014 tot 10 november 2014. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat de aanstelling van appellant op 10 november 2014 is geëindigd en dat appellant tot die datum mogelijk recht had op loon tijdens ziekte.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant gesteld dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak onvoldoende gemotiveerd zijn. Appellant heeft aangevoerd dat het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk is, omdat met name over de periode vanaf 11 augustus 2014 recht bestaat op bezoldiging bij ziekte jegens werkgever, in welk geval de ZW-uitkering zijns inziens bij wijze van voorschot betaalbaar moet worden gesteld.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Voor het toepasselijke wettelijke kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.
4.2.
Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Omdat het gegeven ontslag in rechte werd aangevochten en die procedure ten tijde van het bestreden besluit nog niet ten einde was gekomen, bestond er twijfel over de vraag of betrokkene recht had op bezoldiging en heeft het Uwv met toepassing van artikel 47a van de ZW terecht geweigerd appellant een voorschot op de ZW-uitkering te verstrekken. Met de uitspraak van de Raad van 15 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4929, waarvan ambtshalve kennis is genomen, is inmiddels een einde gekomen aan de ontslagprocedure. Dit gegeven doet aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet af.
4.3.
Met wat in hoger beroep is aangevoerd, heeft appellant niet onderkend dat geen recht bestaat op ziekengeld, als(nog) recht bestaat op loon. Het door hem aangevoerde slaagt daarom niet.
5. De overwegingen in 4.2 en 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en F.M.S. Requisizione en C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2017.
(getekend) J.S. van der Kolk
(getekend) B. Dogan

UM