ECLI:NL:CRVB:2017:1553
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen bijstand met terugwerkende kracht wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellant heeft meerdere keren bijstand aangevraagd, waarbij het college van burgemeester en wethouders van Utrecht de aanvragen deels heeft afgewezen of niet in behandeling genomen vanwege schending van inlichtingenplicht en het niet verschijnen bij afspraken. Het verzoek om bijstand met terugwerkende kracht vanaf 1 maart 2014 werd afgewezen omdat geen bijzondere omstandigheden waren vastgesteld die dit rechtvaardigen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde. De Centrale Raad van Beroep heeft in haar beoordeling onderscheid gemaakt tussen periodes zonder eerdere besluitvorming en periodes met eerdere besluitvorming, waarbij verschillende toetsingskaders gelden.
Appellant stelde dakloosheid, psychische problemen en DigiD-problemen als bijzondere omstandigheden. De Raad oordeelde dat deze omstandigheden onvoldoende aannemelijk maken dat appellant niet in staat was tijdig bijstand aan te vragen. De psychische klachten waren pas na de relevante periode vastgesteld en de dakloosheid vormde geen belemmering voor het indienen van aanvragen. Ook DigiD-problemen werden niet als bijzondere omstandigheden erkend.
Voor de periode waarover al besluitvorming had plaatsgevonden, stelde het college terecht dat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die een herziening van het besluit rechtvaardigen. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen bijstand met terugwerkende kracht krijgt vanwege het ontbreken van bijzondere omstandigheden.