ECLI:NL:CRVB:2017:1560
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing recht op ziekengeld na eerstejaars Ziektewetbeoordeling
Appellant ontving ziekengeld na ziekmelding wegens lage rugklachten en werkte als hulpmonteur steigerbouwer. Na een eerstejaars Ziektewetbeoordeling stelde een verzekeringsarts beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), waarna een arbeidsdeskundige berekende dat appellant 74,26% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. Het UWV besloot daarom het recht op ziekengeld te beëindigen.
Appellant maakte bezwaar en beroep, waarbij de arbeidsdeskundige de functies waarop de verdiencapaciteit was gebaseerd aanpaste, wat leidde tot een nieuwe schatting van 66,25%. Het bezwaar werd ongegrond verklaard en de rechtbank wees het beroep af. In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt en stelde dat er sprake was van medische problematiek (pseudo-radiculair syndroom) die onvoldoende was meegewogen.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij rekening was gehouden met relevante medische informatie en beperkingen. Nieuwe medische stukken in hoger beroep veranderden niets aan de beoordeling. De Raad bevestigde daarom het besluit dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld omdat hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen.
Uitkomst: Het recht op ziekengeld wordt beëindigd omdat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen.