ECLI:NL:CRVB:2017:1594
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- G.M.G. Hink
- J.H.M. van de Ven
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand sinds 1976 en stond ingeschreven op een adres waar zij haar hoofdverblijf had. Appellant ontving bijstand van 1996 tot 1999 en stond op verschillende adressen ingeschreven. Na anonieme meldingen startte de sociale recherche een onderzoek naar het verzwegen gezamenlijke huishouden van appellanten. Uit dossieronderzoek, observaties, getuigenverklaringen en huiszoekingen bleek dat appellant zijn hoofdverblijf had op het adres van appellante.
Het college trok de bijstand van appellanten in en vorderde de onterecht ontvangen bedragen terug, in totaal circa €215.000. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond. In hoger beroep handhaafde de Raad dit oordeel, waarbij werd vastgesteld dat het hoofdverblijf van appellant op het adres van appellante lag, ondanks afzonderlijke inschrijvingen. De verklaringen van buurtbewoners en de bevindingen tijdens huiszoekingen waren doorslaggevend.
De Raad oordeelde dat het verzwegen gezamenlijke huishouden een onweerlegbaar rechtsvermoeden oplevert en dat het college terecht de bijstand introk en terugvorderde. Motieven of persoonlijke omstandigheden van appellanten waren niet relevant voor de beoordeling van het gezamenlijke huishouden. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en terugvordering van €215.000 wegens verzwegen gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.