ECLI:NL:CRVB:2017:1686
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende bewijs verblijf bij zwervend bestaan
Appellant vroeg bijstand aan op basis van de Wet werk en bijstand (WWB) en gaf een adres op als verblijfplaats. Na onderzoek stelde het college vast dat appellant niet daadwerkelijk op het opgegeven adres woonde en dat hij een zwervend bestaan leidde.
Appellant verklaarde afwisselend bij vrienden en familie te verblijven, zonder eigen kamer, en gebruikte het opgegeven adres als postadres. Het college deed meerdere pogingen tot huisbezoek, waarbij appellant vaak niet werd aangetroffen. Tijdens een huisbezoek werden persoonlijke spullen van appellant aangetroffen, maar ook bleek dat hij zijn medicatie en administratie elders bewaarde.
De rechtbank oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt waar hij feitelijk verbleef, waardoor niet kon worden vastgesteld of hij recht had op bijstand. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en benadrukte dat ook bij een zwervend bestaan controleerbare gegevens over verblijfplaats moeten worden verstrekt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van feitelijk verblijf.