ECLI:NL:CRVB:2017:1719
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens termijnoverschrijding bij terugvordering pgb
De zaak betreft een bezwaar van appellanten tegen een besluit van het Zorgkantoor waarin een bedrag van €16.347,13 aan terugvordering van het persoonsgebonden budget (pgb) over 2014 is vastgesteld. Het bezwaar is ingediend na de wettelijke termijn van zes weken. Appellanten stelden dat de termijnoverschrijding relatief gering was, het bedrag niet meer in hun bezit was en dat zij intensieve zorg verleenden aan de echtgenoot van betrokkene.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. In hoger beroep werd niet meer betwist dat het bezwaar te laat was ingediend. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de omstandigheden aangevoerd door appellanten onvoldoende zijn om de termijnoverschrijding te verontschuldigen. De Raad benadrukte dat het feit dat het teruggevorderde bedrag niet meer in bezit is en de aard van de zorg geen aanleiding geven tot een uitzondering op de termijn.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn zonder verschoonbare redenen.